De dribbelkunst van Lionel Messi volgens Jan Mulder

Woord: Jan Mulder
Gepost: 24-06-2019
Probeer de ongeëvenaarde dribbelkunst van Lionel Andrés Messi eens groots te duiden, vroeg SANTOS aan Jan Mulder. Dat lukte met verve, al vond Jan zelf van niet. “Messi heeft ons dribbels geschonken die je met de uitvinding van Johannes Gutenberg, en Laurens Janszoon Coster zo u wilt, niet kunt duiden aan de nabestaanden van SANTOS-lezers. Je moet het hebben gezien.”

Eerder verschenen in SANTOS #08, juni 2018, geheel en al gewijd aan Lionel Messi.

In Voetbal, geschreven door Hans Molenaar en met een voorwoord van Piet Kraak, staat in het hoofdstuk ‘Balbeheersing’ een les drijven. “Onder het drijven met de bal verstaan we het opbrengen van de bal door deze onder controle te houden en daarbij tegenstanders te passeren. Drijven is nuttig wanneer al je medespelers door de tegenstanders worden afgedekt en je dus geen andere mogelijkheid hebt om de bal ergens heen te trappen, maar OVERdrijven, d.w.z. pingelen, komt niet ten goede aan het spel omdat daarmee het tempo vertraagd wordt.”

Uitgegeven door De Boekerij uit Baarn in 1952, een jaar later mijn cadeau van sinterklaas. “Bij het dribbelen, zoals dit drijven ook wel genoemd wordt, is het lichaam iets naar voren gebogen. De tegenstanders hou je in de gaten om te voorkomen dat deze je de bal afnemen en je medespelers om te zien op welk moment en aan welke medespeler je de bal kan overgeven.”

De bijgaande foto’s van de jeugdige drijvers Henk en Johnny zijn prachtig. Hoewel ik het natuurlijk al veel beter kon dan de jongens op die plaatjes, deed ik hun handelingen na op straat. Buitenkant voet, binnenkant voet, buitenkant, binnenkant. In de wedstrijden met mijn club W.V.V. iets te veel. Vriendjes scholden me uit voor pingelaar, mijn moeder schreeuwde achter het doel: “Gééf áf!”

Afgeven? Tijdverlies en verspilling van talent, als je de wedstrijd tenminste wilt winnen. George Best en Johan Cruijff zouden deze stelling later bevestigen.

Vriendjes scholden me uit voor pingelaar, mijn moeder schreeuwde achter het doel: “Gééf áf!”
Jan Mulder

Jaren later ging de bel in mijn huis aan de Avenue Marie de Hongrie, Brussel. Door de parlofoon klonk een stem met Limburgs accent: “Coerver hier.” In de hal stond Wiel Coerver. Hij was gekleed in een blauw trainingspak, had een net met ballen op de rug en vroeg of hij een training met me mocht doen. Het was onze verplichte vrije woensdag. In het Anderlecht-stadion in het Astridpark gaan oefenen met een vreemde trainer leek me ongewenst. Ik stelde een weiland iets verderop voor, richting Asse. “Goed jongen, als er maar gras groeit.”

Brussel is gebouwd op heuvelachtig terrein. De weide liep steil omhoog. Halverwege de helling stond een boom met een kudde koeien eromheen. Wiel Coerver legde me uit wat hij van plan was: dribbelen, het liefst met een persoonlijk trucje, een schijnbeweging, erbij. Ik deed het over het algemeen met snelheid en hier en daar een lichte sidestep. Coerver schudde het hoofd en zei dat hij maar een halfuur nodig had om mijn dribbel twee keer zo goed te maken.

Hij begon – nooit zullen we de dag vergeten – te dribbelen en te drijven met dat lange, afgetrainde lichaam. Luid klonken zijn aanwijzingen: “Buitenkant voet, binnenkant voet, buitenkant, binnenkant.” Als een traag voortbewegende foto ging Wiel op de tenen de dribbel in. Een meter van de koe draaide hij met een soepel bedoelde beweging 180 graden en kwam weer – buitenkant, binnenkant – op me af.

Ik herinner me zijn armen en de elegante handen om het evenwicht te bewaren. Maar vooral zijn toewijding. Nooit is iemand zo opgegaan in zijn liefde voor het voetbal. Nooit was een mens zo passioneel verliefd. Coerver had gelijk: je kunt technieken trainen, een zwakke dribbelaar kan zich enorm verbeteren door elke dag weer naar de wei te gaan, te drijven en te dribbelen, tot de zon ondergaat en de terreinknecht al naar huis is. Wanneer de nacht is gevallen en je geen bal meer kunt zien, zou Wiel zeggen: “Doorgaan. Blind dribbelen. De bal vóelen. Binnenkant, buitenkant. Sneller!”

Flankengott en dribbelqueen

Je hoeft niet als dribbelaar geboren te zijn om handig te worden in deze schone kunst. Een rechterbeen dat theoloog is en een linker leraar aardrijkskunde, kunnen in principe allebei leren dribbelen. Misschien niet zo goed als Shaqiri, Götze, Rensenbrink, De Wit, Iniesta, Hazard of Tahamata, maar een vlotte Ballführung is mogelijk. De Duitsers hebben ook een naam bedacht voor de allerbesten op de vleugel, de streek van het veld waar de dribbelaar het best tot zijn recht komt: Flankengott. Rüdiger Abramczik en Stan Libuda van Schalke 04. De lichamen van deze twee vleugelgoden uit de Ruhrpott waren kort: ideaal voor het wenden en draaien, mannetjes nemen en voorzetjes geven. Dat laatste liever niet. Draai nog eens terug Rüdiger, passeer alle paaltjes nóg een keer, Stan.

Mij viel ook ergens een stuk op met de kop “Flankengott aus Holland”. Het bleek om Roy Beerens te gaan. Wij zoeken het in onze zoektocht naar de groten der aarde hogerop. Langzaam maar zeker naar de top van de dribbelberg is hier de bedoeling. Stanley Matthews. Ik heb ‘The Wizzard’ één keer in actie gezien in een wedstrijd van oud-internationals tegen journalisten. Hij was toen zeventig en het evenement vond plaats in het Maracanã-stadion te Rio de Janeiro. Op het veld flitste Stanley niet meer, maar in de kleedkamer stond een weegschaal. Hij ging erop staan en zei: “69.” Ik zat er toevallig naast en zag de wijzer net boven de 71 aangeven. Een dribbelaar houdt van zijn gewicht.

De Spanjaard Isco is een dribbelkont. In Brazilië worden de besten geboren. Steven De Foer in de Belgische krant De Standaard: “In ons hart zijn we allemaal Garrincha. Eenvoudige komaf, gemengd bloed, lak aan tactiek, maar wát een spelplezier. Waar Belgen een baksteen hebben zitten, dragen Brazilianen een bal mee. Voetbal is dé reden waarom hier nooit een burgeroorlog is uitgebroken.”

Beeld: Marco Iacobucci EPP/Shutterstock.com

In België organiseert men in de aanstekelijke slipstream van Eden Hazard tegenwoordig ‘dribbelfestivals’ voor kinderen. Volwassenen komen ook aan hun trekken: Riete Loos werd gekroond tot dribbelqueen van de provincie Limburg. Zij legde het parcours af in 1 minuut 50 en kreeg een aftrek van vijftien seconden voor haar stijl.

Hoger. Voorbij de boomgrens. Neymar jr., Diego Maradona, Ronaldo de Eerste. Als door een turbo aangedreven vliegen en vlogen ze door de verdedigingen. Misschien schatten we Neymar te laag in. Zijn sierlijkheid is ongeëvenaard. Dat is geen Flankengott meer, maar een duivelskunstenaar.

Beeld: Alizada Studios/Shutterstock.com

Ronaldo, een orkaan met bal, scoorde met Barcelona tegen Compostela een goal na een eindeloze dribbel. Het verbijsterde gezicht van trainer Bobby Robson, met beide handen zijn hoofd vasthoudend, tollend van ongeloof op de sintelbaan, is even memorabel.

Mousa Dembélé doet het traag. Tegenstanders spatten als vliegen van hem af wanneer Mousa zijn cirkeltjes op de vierkante meter trekt. Buitenkant, binnenkant. Prachtig. Lak aan tactiek, zin in het ware leven.

Dier in doodsnood

Maar we waren bij Neymar, Ronaldo en Maradona en konden bijna Tokio zien. Nog één stap en we zijn op het dak van de wereld. Maradona op het WK 1986 tegen Engeland. ‘De Hand van God’? Nee, zijn goal nadat hij zes Engelsen vanaf de middenlijn had gedribbeld. Ik noem de zes: een uitbener uit Noord-Londen, een tijdelijke invaller van de gemeentelijke ophaaldienst van grofvuil te Hull, een in de Mexicaanse zon gelegde natte washand, een jongen uit Leicester die een handtekening vroeg toen Maradona voorbijkwam, een toerist uit Huddersfield (de selectie kampte met een voedselvergiftiging en kon geen elf profs opstellen) en een achtergebleven pylon voor de warming-up met een FA-shirtje erover. Deze deerniswekkende tegenstanders deden afbreuk aan de werelddribbel van Diego Maradona en de oerkreet van commentator Theo Reitsma.

Theo was in topvorm. Hij riep als enige in het stadion onmiddellijk “Hands”, toen Diego vals speelde met ‘De Hand van God’. Na de dribbel en het weergaloze tikje in het doel als afsluiting kwam Reitsma met een langgerekt: “Ooooooaaaahhhhggg.” Een dier in doodsnood.

Reitsma was ten diepste ontroerd. Hij vertolkte ons aller gevoel. Grote spelers en grote voetbalmomenten verdienen een commentator die de daden ter plekke in de juiste verf zet. Theo Reitsma, verder een zakelijke, niet van emoties overlopende verslaggever, deed alles goed die dag. Met Maradona ging Reitsma de geschiedenis in, al is het slechts in Nederland.

Musette, rock, rap

Lionel Messi. Op zijn begrafenis in de verre toekomst zullen sprekers in een volle kerk de woorden weer opdreunen: “Woorden schieten tekort.” Messi heeft ons dribbels geschonken die je met de uitvinding van Johannes Gutenberg, en Laurens Janszoon Coster zo u wilt, niet kunt duiden aan de nabestaanden van SANTOS-lezers. Je moet het hebben gezien. Wij hebben het gezien en prijzen ons gelukkig dat we het nog steeds kunnen zien.

Hij is de allergrootste dribbelaar van alle voetballers die leven en hebben geleefd. Ondergetekende heeft op school schuinschrift geleerd met de kroontjespen. Dun naar boven, dik naar beneden. Een keurige stijl, volstrekt ontoereikend om Messi te beschrijven. We zochten bijstand op Google. Ik vond Pi Chang, uitvinder van de eerste Chinese tekens. Toepasselijker leek me het runenschrift van Germaanse volkeren in de tweede eeuw na Christus: hoekige, onbegrijpelijke tekens. Messi is hoekiger en onbegrijpelijker. Met de voeten. Messi verblufte de wereld niet één keer met een uitvinding als die van Pi Chang, hij doet het elke week.

Beeld: Christian Bertrand/Shutterstock.com

De Egyptenaar Mohamed Salah is de enige die een beetje in zijn buurt komt. Salah beschikt over dezelfde finesse die in het doolhof tóch nog een uitweg vindt in het bos houthakkers. Een minuscuul plekje op een veld van honderd meter lang en zestig meter breed wordt door hem aangegrepen met een tikje van een teen en de vrijgekomen ruimte door hem verzilverd tot een doelpunt. Messi, de schepper van de onmogelijk geachte dribbel, is sneller. Cruijff was de eerste die op volle snelheid tot stilstand kwam én weer vertrok zonder het evenwicht te verliezen, Messi voegt er een aantal puntkomma’s en geheimtekens aan toe. We kunnen proberen ze op te noemen, maar in die tijd heeft hij er al weer vier bij verzonnen.

In tegenstelling tot Cruijff die bleef staan, valt Messi soms expres, om de tegenstanders in de waan te brengen dat ze een kansje maken. Hij staat alweer, meters verderop. Cruijff zei: “Voetballen doe je met je hoofd.” Bij Messi zijn het de voetjes. Zij seinen de hersenen in: “We hebben dit en dat gedaan, vijf man voorbij en bal onder de lat, akkoord?”

Als korte inleiding van zijn toekomstige kunstwerken imiteerde hij in Getafe voor de aardigheid de goal van Maradona tegen de Engelsen, opdat we snapten wat hij de komende jaren van plan was. De geslaagde kopie van Maradona’s treffer ging de wereld over. Niemand had in de gaten dat het een geinig opwarmertje was, een dingetje om erin te komen, zand in de ogen van de kenners, plezier voor eigen gebruik, een oefening na de training op weg naar de kleedkamer.

Later. Messi staat aan de rand van het veld. De bal gaat rond. Iniesta dribbelt zijn elegante cirkels en passt op Messi. Het mannetje van de maan ontspant de rug, neemt de bal aan, het orkest begint te spelen. Musette, rock, rap. Of alle soorten door elkaar heen. Het swingt, altijd. Meer dan bij een raak schot van dertig meter, een bicicleta of een goal van de eigen helft wanneer de keeper iets te ver voor zijn doel staat, is Messi’s dribbel het summum van voetbalkunst. In tennis hebben ze het weleens over goed voetenwerk. Vergeleken met Messi is Federer een herhaling in slow motion. In de seconde dat Messi tien stapjes meer doet dan Federer, heeft hij ook nog eens tien keer de bal geraakt. Zit in die vederlichte aanrakingen het geheim? Ze scheppen ruimte en tijd op de vierkante millimeter, het is schitterend om te zien en effectief tegelijk. Federer en zijn voetenwerk hebben geen last van een naderende beul met bijl die hem enkele ellebogen geeft voordat de assistent-beul op kniehoogte aan komt suizen voor de genadeklap. Messi wel. Hij ontwijkt alle aanslagen en voltooit rustig de figuren op het ijs.

Voetzoeker

Wat is het precies wat hij doet? Drijven niet. Dribbelen wordt ook een heel krakkemikkig woord voor zijn acties. Friemelen? Frutselen, frunniken, futselen, frommelen, peuteren, pulken, priegelen. Het Boek der Synoniemen heeft het zelfs over het werkwoord mieren. Messi mierde zich door de verdediging. Ik houd het op wriemelen met een w. Tevredenstellend is deze uitleg van zijn begenadigde voetenwerk nog lang niet. Messi maakt in een seconde of twee een horloge? Weer mis.

In de ban van dit stuk droomde ik vannacht over een spreekbeurt op het Congres van de Dribbel in Zürich. FIFA-baas Gianni Infantino had me op aanraden van Marco van Basten gebeld en dan zeg je geen nee. Ik zou een verhandeling over Messi geven. In het Engels. Frutselen, priegelen, peuteren, mieren: het geroezemoes in de zaal begon aan te zwellen. Het zweet brak me uit toen het stukje met Wiel Coerver kwam. “Buitenkant, binnenkant.” Niemand lachte of knikte instemmend. Hier en daar keken ze in het programmaboekje en begonnen “Messi, waar is Messi?” te fluisteren. In mijn zenuwen greep ik naar zijn baard. Waarom? Wat heeft Messi aangezet tot die akelige baardgroei van de eerste de beste voetballer? Waarom die klakkeloze navolging van de mode? Messi is geen afkijker maar de origineelste van ons allen. En die foeilelijke tatoeages op zijn onderbeen, met gezichten en namen van zijn kinderen? Ver voor het einde van mijn toespraak ging Infantino als een van de laatsten weg. Van Basten beende achter zijn voorzitter aan en probeerde uit te leggen hoe de spreker in elkaar zit: “Jan slaat soms door. Het was weer eens zo’n dag. Pech.” De zaal was leeg.

Op internet staat een compilatie getiteld ‘Greatest Dribbling Skills Ever’. Messi wordt begeleid door monotone house. Vergeet de muziek, kijk. De voetballer als voetzoeker. Explosies van geluk en bewondering dwingt hij af. Degradeert honderden armzaligen die ook, net als hij, voetballer zijn geworden en riante salarissen opstrijken. Het bos ingestuurd, verdwalen en verhongeren, nooit teruggevonden worden is hun lot.

Messi zet aan tot overdrijven. Probeer zijn dribbel te beschrijven en je voelt je onbekwaam. Een journalist van The Times vroeg op een training van het Engels elftal eens aan Stanley Matthews of hij wilde voordoen hoe hij dribbelde en dan zijn schijnbeweging binnendoor deed en buitenom ging. Matthews antwoordde: “Can’t do it in cold blood.” Hij moest in de roes van een wedstrijd zitten, anders wist hij zelf ook niet wat hij deed. De journalist dacht het wonder van dichtbij te begrijpen. Dat dachten de backs ook als Matthews voor ze stond. Ze wisten dat de demarrage buitenom kwam – en kwamen te laat. Kennis vooraf is zinloos. Het geheim is het moment dat ze de das omdoet. Het is onvindbaar verpakt in het talent en zal zich niet laten ontraadselen. Het is geen wetenschap, het is poëzie.

Messi staat dichter bij goddelijke schepping dan de mensheid en de aarde zelf. Zijn zijn heeft niets te maken met de ontwikkeling van vis tot amfibie tot een voorzichtig dribbelende dino en daarna de mens. Hij was er. Opeens. Evolutie noch Molenaar had er een handje in.

Vijf weergaloze seconden

We hebben een lange, lange weg afgelegd sinds Hans Molenaar dreef en Kees Rijvers dribbelde. Het wonder van Messi is zijn fabelachtige balbehandeling en kunde van het ‘kappen’ – een mijns inziens té Hollands klinkend werkwoord vertaald uit het Spaans.

Maar oké, kappen.

Messi kapt op volle snelheid, sneller dan Ronaldo I en vlugger dan Maradona, maakt in die kapbeweging een pirouette, kiest het goede moment om in een gaatje te duiken, is inmiddels tegen de zijlijn aan gedrukt (heerlijk, nu gaan we de goudmijn in), tikt drie woestelingen door de benen, hattrick, wipt de bal op, draait al jonglerend om zijn as, maakt gebruik van een positie waarin hij uit evenwicht komt en schiet ergens naartoe waarvan niemand van de 90.000 toeschouwers weet wat hij hiermee bedoelt, een shirtjetrekker sleurt hem meters door de lucht zonder dat het succes heeft en dan ziet hij ook nog kans om de keeper bij de voorste paal door de benen te spelen.

We zijn dan vijf seconden na het moment dat hij de bal van Iniesta aangespeeld kreeg en wat stond te dromen. Vijf weergaloze seconden van knippen en plakken. In de beeldende kunst zou Messi’s werk ‘collage’ worden genoemd. Foto uit een oude Paris Match, plaatje van een speelgoedvliegmachine uit de DDR, Studebaker op de schroothoop met een weggegooid gedicht erop, een eigen pentekening ertussen, druppels Oost-Indische inkt eroverheen: weer eentje klaar.

Beeld: Jose Breton- Pics Action/Shutterstock.com

Messi is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie in de stadions. ‘Ermee geboren worden’ is een bleke term voor zijn gave te dribbelen. En er is de draaicirkel van zijn enkels. Buitenkant voet is bij hem waanzinnig veel buitenkant. Hij zet het gewricht in een zó scherpe hoek, dat de voet er even achterstevoren aan zit.

Waar en hoe is dit uitzonderlijk wriemelen op aarde ontstaan? Professor Stephen Hawking, die zijn immens licht al over zwarte gaten en doeltreffende penalty’s (!) heeft laten schijnen, had het raadsel kunnen oplossen. Hawking is jammer genoeg dood. Hele universiteiten zullen nu vol aan de bak moeten. Je kunt net zo goed aan Mozart vragen hoe hij aan die noten komt. Ook Messi is een te gecompliceerd genie om via de weg van de wetenschap te kunnen ontcijferen. Er zit niks anders op dan ontroerd zijn, als Theo Reitsma.

Beeld: Alizada Studios/Shutterstock.com

Genoten van dit verhaal? Overweeg dan eens supporter te worden van SANTOS, dan kunnen wij zulke verhalen blijven maken en krijg jij vier keer per jaar ons magazine thuisbezorgd. Klik hier om je aan te melden, krijg je er nog de nieuwste verhalenbundel van Wilfried de Jong bij ook.

Lees ook
Beeldreportage

De vlucht van
scheidsrechter Pijper

Bij het grasduinen in de beeldbanken stuitten we op een aantal fascinerende foto’s van de wedstrijd NAC-Ajax van 16 september 1973. Of eigenlijk: van ná de wedstrijd, toen scheidsrechter Henk Pijper – die in de laatste seconden de 3-3 van NAC afkeurde – op de vlucht moest voor ontstemde NAC-supporters. Kijk en verwonder uzelf (en let vooral op die politiehond en de ‘vluchtauto’, in allerijl gecharterd nadat de deur van een politiewagen niet open ging).
SANTOS #10: Voetbalreisgids

Tien tips
voor de ideale
voetbaltrip

Nu het nieuwe voetbalseizoen in alle hevigheid is losgebarsten en de Nederlandse ploegen in Europa hun tegenstanders kennen, kunnen de voetbaltripjes weer worden geboekt. De redactie van SANTOS geeft reisadvies.
SANTOS #04: DE KLASSIEKER

Mulder bemint:
Mladen Ramljak

De Joegoslaaf Mladen Ramljak, afgestudeerd econoom én vooraanstaand lid van het ‘Genootschap der Scheermessen’, won met Feyenoord de landstitel en de UEFA Cup. Het is vandaag 40 jaar geleden dat hij overleed. Jan Mulder haalt herinneringen op.
SANTOS #13: De 25 schoonheden van het amateurvoetbal

Kantines,
cornervlaggen
en kleedkamergeluk

In SANTOS #13 belijden we onze liefde voor amateurvoetbal. Inderdaad, net als in een eerdere SANTOS, maar toch weer op een andere manier. Omdat het zo’n ongelooflijk rijk onderwerp is, en omdat het je zo heerlijk terugbrengt naar de essentie: naar voetbal omdat het leuk is. Naar voetbal als een sociaalcultureel fenomeen ook.
Reportage

Lachen
Gieren
Gullit

Van Qatar naar Hilversum, van Varkenoord naar Miami, en terug via Rome en Schotland. Ruud Gullit leidt een fascinerend bestaan, vrolijk slalommend tussen de hoogte- en dieptepunten van zijn leven. Een weekend lang in het spoor van de nimmer verwelkende Zwarte Tulp. “Ik zie het zo: als ik niet naar links kan, dan ga ik maar naar rechts.”
Binnendoor

Björn van
der Doelen

​“Mark van Bommel kon de hele dag over voetbal praten. Ik keek niet eens de samenvattingen van mijn eigen wedstrijden, ging liever een beetje pielen met mijn gitaar.”