De ziel van Ajax: een platzak lefgozertje op een chique feest

Woord: Menno Pot
Gepost: 28-11-2018
Op zoek naar de ziel van onze achttien Eredivisie-stadions vragen SANTOS en de Eredivisie CV een legertje insiders, van een beetje bekend tot heel bekend, wat hun club voor hen betekent. Popjournalist en voetbalschrijver Menno Pot (1975) vertelt waarom hij bezig is aan zijn 26ste jaar als seizoenkaarthouder van Ajax.

Beeld: Marco Magielse

Stadionlied
“Soms steekt een oude klassieker uit De Meer de kop op in de Arena, zoals Hé Amsterdam van Drukwerk: ‘Hé Amsterdam, ze zeggen dat je bent veranderd / Hé Amsterdam, je kan geen goed meer doen / Maar wie dat zegt, die is geen Amsterdammer / Want Amsterdam, je bent nog net als toen.’ Mooi langzaam gezongen is die weemoedig prachtig.”

Ultiem stadiongeluk
“De succesperiode onder Louis van Gaal is me het meest dierbaar, maar dan niet de trofeeën en wedstrijden op zichzelf. Wat het zo heerlijk maakte, was het Ajax-gevoel van die dagen. We wisten niet wat we meemaakten, er heerste een jolig, uitgelaten sfeertje met heel veel zelfspot op de Diemenzijde van De Meer. Serieuze meningen waren not done. Het gevoel dat we een klein, kneuterig clubje zonder zelfs maar een fatsoenlijk stadion waren, was echt magisch. Alsof we de boel een beetje in de maling namen. Ajax was een bijdehand, platzak lefgozertje dat naar binnen glipt op een chique feest in een hotel en de hele avond gratis drank haalt, onder het motto: we zien wel wanneer we eruit gesmeten worden. En dan gewoon iedereen ondersteboven voetballen.”

Kun je geen genoeg krijgen van de cultuur van de tribune in al zijn facetten? Wij ook niet. We wijdden er zelfs ons laatste nummer aan, SANTOS #09: NAAR HET STADION. Bestel ’m hier, of ren naar de winkel.

Spits-uit-hoge-hoed-met-hoogste-cultwaarde
“De gemiddelde Ajacied zal hier Iván Gabrich noemen, de enorme Argentijnse ‘spits die nooit omviel’, maar ook nooit scoorde of anderszins in het stuk voorkwam. Zijn naam is onder Ajax-supporters haast synoniem aan ‘miskoop’. Persoonlijk vond ik de cultfactor van Ismael Urzaíz nog hoger, een uitgerangeerde Bask die in 2007 naar Ajax kwam: wallen onder zijn ogen, verlopen kop als Keith Richards rond 1980 en van die droevige hondenogen. Grappen over zijn locker in de kleedkamer (pakje peuken, fles Jack Daniel’s) waren gauw gemaakt. Zoals de New York Cosmos ooit de Italiaan Chinaglia hadden, hadden wij Urzaíz. Alleen maakte Chinaglia in New York 193 goals en Urzaíz in Amsterdam nul, maar dat is een detail.”

Mooiste seizoen
“De ploeg die in 1991-1992 uiteindelijk de UEFA Cup won, was nog net wat aanvallender en Amsterdamser dan de Champions League-lichting van drie jaar later. Menzo. Silooy. Van ’t Schip. Roy. Kreek. Vink. De tandem Jonk-Bergkamp. Mijn idool Pettersson. En dan een leuke gek als John van Loen erbij. Ik was zestien, zeventien en mocht voor het eerst zonder volwassen begeleiding naar Europese avondwedstrijden. De terugkeer (na een seizoen verbanning) naar het bouwvallige Olympisch Stadion. De innige zoen die ik kreeg van een mooi meisje van Genoa. De chaos bij de kaartverkoop voor de finale. Die zenuwslopende finale tegen Torino. Nóg leuker en iets ‘eigener’ dan de Champions League-winst van drie jaar later, zeg ik nu.”

De liefde verklaard
“Ik raakte in de ban van deze club omdat ik als jongetje van een jaar of zeven het tenue zo prachtig vond: het shirt natuurlijk, dat embleem, maar zeker ook de hagelwitte broek en kousen. Ik kom niet uit een voetbalgezin, werd niet gepusht, maar viel rond 1983 intuïtief als een blok voor Ajax. Dat had ook met de spelers te maken. De spelers van de andere clubs waren een soort ooms: mannen met snorren en permanentjes. Bij Ajax speelden geen ooms, maar neven, met een grote bek, een leren jackie en een opgevoerde brommer. Schippie, Van Basten, Jesper Olsen, Vanenburg. Ze waren jonger, stoerder, cooler. Ik kon dat als jochie van een jaar of zeven, acht niet benoemen, maar ik voelde het wel. Dat ik een Amsterdamse oom had die me meenam naar mijn allereerste wedstrijd beklonk de zaak voorgoed. Pats. Liefde.”

Fotograaf en stadionfetisjist Marco Magielse reist deze maanden langs alle achttien Eredivisie-stadions, waaronder dat van Ajax. Klik hier voor de Johan Cruijff ArenA zoals je ’m nog niet eerder zag.

Lees ook
Overig

Ernst Happel
terug in Rotterdam

Wilfried de Jong laat Ernst Happel (1925-1992) voor heel even terugkeren op aarde. “Ach meiner Junge, das war einmal.”
Binnendoor

Danny
Koevermans

“Een goede amateurclub is de ideale samenleving. Als jij niks te doen hebt in je vrije weekeinde en je wilt wat aanspraak, ga je lekker naar je club. Bakkie koffie, beetje kletsen, even de B1 kijken in de ochtend, daarna het eerste, daarna een drankje. In een voetbalkantine kun je altijd terecht.”
SANTOS SPECIAL: 100 JAAR BEKERVOETBAL

Ooit winnen
wij ’m

Voor iedere supporter van een kleine club is de KNVB Beker de heilige graal, een obsessie, de ultieme beloning voor jarenlange trouw. Totdat je – zoals bijna altijd – roemloos wordt uitgeschakeld. Dan wil je er acuut niets meer van weten, van die verdomde beker. Een essay van Sjoerd Mossou.
SANTOS #04: DE KLASSIEKER

Allebei rood-wit,
toch oneindig anders

Ajax en Feyenoord koesteren hun zo herkenbare clubtenue, beroemd tot in alle uithoeken van de wereld. Maar wat vertelt het shirt over de identiteit van beide clubs – en wat over De Klassieker? Op zoek naar sentiment, smaak en schoonheid.
Reconstructie

Feyenoorder Cruijff
en de vier
klassiekers

Juist in het seizoen (1983-1984) dat Ajax en Feyenoord vier keer tegen elkaar speelden, kwam Johan Cruijff uit voor de club uit Rotterdam. Een reconstructie van het klassieke kwartet door de ogen van directbetrokkenen.
SANTOS #08: MESSI'S MISSIE

De dribbelkunst van
Lionel Messi
volgens Jan Mulder

Probeer de ongeëvenaarde dribbelkunst van Lionel Andrés Messi eens groots te duiden, vroeg SANTOS aan Jan Mulder. Dat lukte met verve, al vond Jan zelf van niet. “Messi heeft ons dribbels geschonken die je met de uitvinding van Johannes Gutenberg, en Laurens Janszoon Coster zo u wilt, niet kunt duiden aan de nabestaanden van SANTOS-lezers. Je moet het hebben gezien.”