Een vijftig jaar oud voetbalshirt als ultiem bewijs van clubliefde

Woord: Tom Egbers
Gepost: 03-05-2019
Vijftig jaar oud is zijn allereerste voetbalshirt, en hij heeft het nog. Het is klein natuurlijk. Een kindermaat. De verticale witte strepen zijn licht vergeeld, het diepe zwart is sinds de jaren zestig vergaan tot donkergrijs. De zwarte kraag rond, de stof droog katoen, en nergens een merkteken te zien. Schitterende eenvoud. Tom Egbers verklaart de liefde aan zijn Heracles.

Beeld: Archief Tom Egbers
Eerder verschenen in SANTOS #03, november 2016.

In dat vijftig jaar oude Heracles-shirt debuteerde ik bij de D-pupillen, waar een wereld voor me openging. Uitwedstrijden voerden naar oorden als Mariaparochie en Ootmarsum. Mijn medespelers: ook geen half werk.

Onze keeper, Frits, was de kleinzoon van een man naar wie hij vernoemd was, en die lang geleden de allereerste speler van onze club was die het ooit tot echte international had geschopt. Wat natuurlijk diepe indruk maakte op ons, jongens. Opa Frits kwam, tot onze niet geringe opwinding, weleens kijken bij wedstrijden van zijn kleinzoon. Dan was het eerlijk gezegd best moeilijk je voor te stellen dat zo’n kleine, stokoude man van wel zestig jaar ooit in de Hel van Deurne had gespeeld – maar het was zo.

Als rechtsbuiten hadden we de altijd piekfijn geklede Kim. Ook hij had een beroemde grootvader. Deze man, een Zwitserse textielfabrikant, kwam – duizelingwekkende glamour – gewoon elke week een paar keer op televisie, in een Ster-filmpje over de gordijnen die in zijn Almelose fabriek werden gemaakt. Kims opa, zonder enige twijfel een man van de wereld, was natuurlijk nooit bij het voetbal van zijn kleinzoon, maar hij bestond wel echt, want zijn filmsterrenslee – een blauwzilveren BMW cabriolet uit de jaren vijftig met Zwitsers kenteken – stond soms geparkeerd naast de ingang van de fabriek in de Klimopstraat, vlakbij de winkel van mijn ouders.

Rots in de branding van onze verdediging was Henk, een slagerszoon die, ondanks
zijn pas negen jaar, al een kop groter was dan de meeste vaders van ons elftal. Zijn vader en grootvader waren beiden meer dan twee meter lang. Henk kon er bitter weinig van, om niet te zeggen helemaal niets, maar zijn gestalte suggereerde enorme fysieke kracht; niemand durfde het duel met hem aan te gaan. Iedereen bang. Prima voor ons.

Onze met voorsprong meest exotische speler was Nolly. Een kleine, steengoede
Molukse speler. Nolly was onze goalgetter. Hij zei eigenlijk nooit iets, maar hij glimlachte altijd. Hij nodigde me bij hem thuis uit. Het rook er heerlijk, naar Aziatische gerechten. Ik hoorde overal gestommel van gezinsleden, in de gang, in de keuken, op de trap naar de bovenverdieping. Maar niemand kwam naar de woonkamer waar Nolly en ik zaten. Achter een kamerscherm zag ik twee paar volwassen ogen die iedere beweging van Nolly en zijn Hollandse bezoek volgden. Van de RMS had niemand in Nederland nog gehoord, van De Punt en Smilde evenmin.

Henk kon er bitter weinig van, om niet te zeggen helemaal niets, maar zijn gestalte suggereerde enorme fysieke kracht; niemand durfde het duel met hem aan te gaan. Iedereen bang. Prima voor ons.
Tom Egbers

Wij, jongens van de D2, werden door de club gevormd. We leerden te incasseren. De scheidsrechter te bedanken na afloop van een wedstrijd. Je veters kruislings in te rijgen (belangrijk voor als je iets brak, zei de trainer). Geen handdoek en badslippers bij je? Dan ook niet trainen. Pijn? Doorgaan.
En: Johan Cruijff.

Hij kwam echt naar de Bornsestraat, in 1970. Voor een bekerwedstrijd tegen ons eerste (0-3). Het was eigenlijk niet te bevatten dat hij, de wereldster die even beroemd was als Batman en The Beatles, gewoon in dezelfde kleedkamer zat die wij doordeweeks ook gebruikten. Onder de houten eretribune. Had hij zijn kleren aan hetzelfde haakje gehangen als ik, een paar dagen eerder?

De kleedkamer had maar één douche. Dus Cruijffie stond na afloop onder dezelfde douche die wij, jeugdspelers, ook iedere keer mochten gebruikten. Toen kwam hij naar buiten. Honderden jongens verdrongen zich bij Ajax’ spelersbus. Ook ik. Hij zag er magisch uit. Hij bestond echt. We stonden te stuiteren van opwinding. Cruijffie. Gewoon hier, bij ons.

Aan de klassieke allure van de club heb ik, behalve door het dragen van het mooie shirt, nagenoeg niets bijgedragen. Mijn enige claim to clubfame is de onopvallende rol die ik speelde in een historisch te verwaarlozen beslissingswedstrijd, op neutraal terrein, tegen Quick Nijmegen. De verliezer zou degraderen. Dat laatste moest ten koste van alles worden voorkomen. Ik kan me niet herinneren ooit harder voor een overwinning te hebben geknokt als op de zondag van die wedstrijd. Niemand zei het na afloop te hebben gezien, maar met een echt uiterste krachtsinspanning bereikte ik, als overwinnaar in een scrimmage, met een puntertje onze spits. Hij maakte daarop de winnende goal. Wij gilden van vreugde, maar met terugwerkende kracht is die zwaarbevochten zege minder dan een voetnoot in de rijke geschiedenis van de club. We werden dan wel, als mogelijk toekomstige eerste-elftalspelers, in de watten gelegd met speciale wedstrijdtenues met eigen rugnummers en een echt grote spelersbus, maar het was letterlijk kinderspel. Niemand die het nu nog weet.

Ik trok mijn vertegenwoordigende shirt uit, smeet het voor de neus van de coach op de grond, en zei ‘klootzak’ tegen hem.
Tom Egbers

Mijn ambities waren toen al, noodgedwongen, flink naar beneden bijgesteld. Een paar jaar eerder was ik namens mijn club nog geselecteerd voor een vertegenwoordigend elftal dat tegen een Engels selectieteam zou uitkomen. Ik voelde dat mijn vader inwendig enorm trots was. Hij deed zijn best om dat te verbergen, omdat bescheidenheid de mens destijds sierde.

Ik kreeg bij het vertegenwoordigende elftal het jammer genoeg te stellen met een coach die, als oud-speler van SC Enschede, de behoefte voelde om zijn gezag en autoriteit kracht bij te zetten door niet zozeer mij als wel mijn club – een sportieve rivaal van weleer – te beschimpen.
“Van welke club ben jij ook alweer?”
Ik antwoordde naar waarheid.
“O, juist. Dan sta jij vandaag reserve.”
Waarop ik mijn vertegenwoordigende shirt uittrok, voor de neus van de coach op de grond smeet, en ‘klootzak’ tegen hem zei. Het was de tijd van VPRO’s Piknik, bijzonder lang haar en antiautoritaire assertiviteit. Ik gooide, dat voelde ik wel aan, zelf de glazen in van een eventuele carrière als profvoetballer. Mijn vader zag het tot zijn ontzetting aan, van een afstand.
“Wat doe je nu?”, vroeg hij, toen hij me opwachtte bij de uitgang van het stadion.
Ik antwoordde dat die trainer, die lul…
“Dat heb je toch niet gezegd?”
…onze club voor schut had gezet. Door mij niet op te stellen vanwege mijn club.
Waarop mijn vader godzijdank begrip toonde voor mijn uiteraard volkomen terechte gezagsondermijning van de lul.
“Goed zo, jongen. Kom maar mee, dan gaan we naar huis.”

Ik zag dat het tafereel van de boterverkopende vrijwilligers bij mijn moeder tranen deed opwellen. Ze vond het verdrietig, maar ook hartverwarmend. Ik was negen en het maakte diepe indruk.
Tom Egbers

Wat de kracht van onvoorwaardelijke clubtrouw is, was mij tijdens een eerdere expeditie al duidelijk geworden. Het was eind jaren zestig, en ik bezocht met mijn ouders een uitwedstrijd tegen De Volewijckers in Amsterdam-Noord. Bij aankomst in het kale stadionnetje bleek bijna niemand op het duel te zijn afgekomen. Het ging bijzonder slecht met De Volewijckers, dat zwaar te lijden had onder het succes van Ajax, dat hard op weg was de beste club van de wereld te worden. Mijn moeder zag vrijwilligers bij de ingang van het stadion, die pakjes boter probeerden te verkopen aan toeschouwers. De opbrengst daarvan kwam de clubkas dan weer ten goede. Het tafereel ontroerde mijn moeder. Ze vond het geweldig dat deze mensen alles probeerden om hun club te redden, terwijl in alles duidelijk was dat de wit-groenen op weg naar het einde waren. Ik zag dat het tafereel van de boterverkopende vrijwilligers bij mijn moeder tranen deed opwellen. Ze vond het verdrietig, maar ook hartverwarmend. Ik was negen en het maakte diepe indruk.

Ik zat naast een jonge man die juichte om een doelpunt; een paar tellen later leunde hij met zijn volle gewicht, bewegingloos tegen me aan. Dood.
Tom Egbers

In ons eigen houten stadion aan de Bornsestraat gebeurde van alles. Schitterende kostgangers kwamen op de wedstrijden af. Supporters uit Amsterdam die tegen iedereen alles durfden te zeggen. Een scheidsrechter in een te strakke korte broek. Verslaggevers van soms wel drie kranten.

Het leven trok in vele verschijningen aan ons voorbij. En de dood. Ik zat naast een
jonge man die juichte om een doelpunt; een paar tellen later leunde hij met zijn volle gewicht, bewegingloos tegen me aan. Dood. Ook verschrikkelijk was dat de wedstrijd, terwijl iedereen keek naar de gestorven man die per brancard werd afgevoerd, gewoon doorging. Ik zag de besnorde Hans Polko, schonkige spits, met een snoekduik scoren tegen Ajax.

In het ballenhok onder de eretribune hoorden wij de Belgische speler van het eerste elftal bewegingen maken als zijnde getrouwd, met een mevrouw die niet zijn verloofde was. We zagen Hugo Walker van Studio Sport in het echt, op de eretribune. Hij had een grote, heel professionele koptelefoon op. Patricia Dellow, de beeldschone dochter van coach Ron Dellow, van wie we toen nog niet konden weten dat zij later pilote van 747’s zou worden, moedigde met lichtbekakte stem het elftal van haar vader aan, ook wanneer het 0-5 stond. En de oude heer Ten Cate, de textielbaron die niets van voetbal wist, maar wel suikeroom van de club was, zoals ook zijn vader dat vóór hem was, zat tweewekelijks te genieten van de sfeer.

En dan was er nog de eerste klas bloedzuiger. De man die altijd zat te kankeren, op alles. Iedereen noemde hem Oonk, niemand wist wat zijn voornaam was, of waar hij woonde, of hij familie had. Maar hij was er altijd. Bij iedere training. Ook bij die van ons elftal. Oonk had het al maanden voorzien op Tonnie, onze meest begaafde technicus, die zijn kunsten soms iets te ver doorvoerde. Oonk vond getalenteerde spelers dus helemaal niks. Hij ging tekeer, en dat bleef maar duren, en toen brak er iets bij Tonnie. Hij pakte een ijzeren paal die als doelpaal in het sintelveld was geplant. Rende ermee, alsof het een polsstok was, in de richting van Oonk die op zijn fiets sprong en nog probeerde weg te sprinten. De paal vloog door de lucht met de scherpe pin naar voren gericht. De punt boorde zich in het achterwerk van Oonk, die onverstoorbaar door bleef trappen. Hij verdween achter de hoofdtribune en is bij de club nooit meer teruggezien. Tonnie werd door onze trainer naar huis gestuurd. Hij zou geen wedstrijd meer voor ons spelen. Jaren later dook hij op, als strateeg op het middenveld van Telstar.

Against Modern Football? Ik niet. Mijn club bestaat. Nog altijd, sinds 1903.
Tom Egbers

Alles is veranderd. Zoals altijd, overal, met het verstrijken der jaren, alles vergaat. Het houten stadion is weg. De oude tribune is gered. De club is nog eens gedegradeerd, en opnieuw gepromoveerd. Er is een nieuw stadion. Spelers zijn meer dan ooit passanten. Alle wedstrijden worden met meerdere televisiecamera’s gefilmd. Op de perstribune zitten wel twintig opvolgers van Hugo Walker tegelijk. Ballenhokken onder de hoofdtribune, waar verboden liefde wordt bedreven, zijn er niet meer. Wel zijn er – noem dat maar geen vooruitgang – elektronische reclame-uitingen op de borden rond het veld waarmee lingerie wordt aangeprezen. En het veld is niet meer van gras. Ga ik om dat alles een verbeten vendetta Against Modern Football voeren? Ik niet. Mijn club bestaat. Nog altijd, sinds 1903. En de spelers dragen een shirt dat eigenlijk hetzelfde is als dat van mijn grootvader, mijn vader, mijzelf, Paul Kerlin, Hannes Lalopua, Everton Ramos da Silva, Joop Schuman, Steve Mokone en, niet te vergeten, de opa van Frits Schipper, wiens colbert dat hij in de jaren twintig van de vorige eeuw als international mocht dragen in het nieuwe stadion voor iedereen, en voor altijd, tentoongesteld is.

Lees ook
SANTOS #14: Engeland special

Please
don't go

Een bakermat van nostalgie, maar ook van het moderne voetbalkapitalisme; geen voetballand is zo contrastrijk als Engeland. Voor SANTOS #14 doken onze fotografen, schrijvers en tekenaars met liefde in de Engelse voetbalcultuur, juist in deze tijden van Brexit.
Overig

Ernst Happel
terug in Rotterdam

Wilfried de Jong laat Ernst Happel (1925-1992) voor heel even terugkeren op aarde. “Ach meiner Junge, das war einmal.”
Binnendoor

Danny
Koevermans

“Een goede amateurclub is de ideale samenleving. Als jij niks te doen hebt in je vrije weekeinde en je wilt wat aanspraak, ga je lekker naar je club. Bakkie koffie, beetje kletsen, even de B1 kijken in de ochtend, daarna het eerste, daarna een drankje. In een voetbalkantine kun je altijd terecht.”
SANTOS SPECIAL: 100 JAAR BEKERVOETBAL

Ooit winnen
wij ’m

Voor iedere supporter van een kleine club is de KNVB Beker de heilige graal, een obsessie, de ultieme beloning voor jarenlange trouw. Totdat je – zoals bijna altijd – roemloos wordt uitgeschakeld. Dan wil je er acuut niets meer van weten, van die verdomde beker. Een essay van Sjoerd Mossou.
SANTOS #04: DE KLASSIEKER

Allebei rood-wit,
toch oneindig anders

Ajax en Feyenoord koesteren hun zo herkenbare clubtenue, beroemd tot in alle uithoeken van de wereld. Maar wat vertelt het shirt over de identiteit van beide clubs – en wat over De Klassieker? Op zoek naar sentiment, smaak en schoonheid.
Reconstructie

Feyenoorder Cruijff
en de vier
klassiekers

Juist in het seizoen (1983-1984) dat Ajax en Feyenoord vier keer tegen elkaar speelden, kwam Johan Cruijff uit voor de club uit Rotterdam. Een reconstructie van het klassieke kwartet door de ogen van directbetrokkenen.