Ernst Happel terug in Rotterdam

Woord: Wilfried de Jong
Gepost: 13-12-2017
Wilfried de Jong brengt in SANTOS geregeld een ode aan een overleden voetballer door hem voor een dag terug te halen op aarde. Dit keer is dat Ernst Happel (1925-1992). “Ach meiner Junge, das war einmal.”

Beeld: Mirjam Riemens/Studio Vonq
Eerder verschenen in SANTOS #02, mei 2016.

Op de begane grond van café Hopper in hartje Rotterdam kwam een meisje op ons tafeltje afgelopen.
“Wat kan ik voor u doen?”
Verwachtingsvol keek ik naar Ernst Happel. Een cap op het hoofd van de Oostenrijkse trainer domineerde zijn ingevallen gezicht. Ik kende de cap met de sponsornaam Funkberater erop. Vier dagen na zijn dood lag dat petje als eerbetoon op de bank tijdens een vriendschappelijk duel tussen Oostenrijk en Duitsland.

“Dit is meneer Happel, de beste coach die we hier ooit gehad hebben. Als hij thuis was in Wenen zat hij graag in café Ritter, zo’n chique Weense zaak. Wat hebben jullie voor lekkers bij de koffie?”
Het meisje wees naar schaaltjes naast de kassa en noemde het assortiment aan zoetigheid op: “We hebben appel-amandelcake, oatmealkoeken, brownies, Bretonse cake en croissants – o, sorry – er is nog maar één croissant.”
Ernst Happel had het al begrepen.
“Keine Sachertorte? Nah ja, nur Kaffee.”

Het was er nog steeds, die wonderlijke mix van Oostenrijks, Duits en Nederlands. De oud-trainer schoof zijn stoel naar achteren zodat hij met de ellebogen op zijn dijbenen kon leunen. De filter van een Belga-sigaret kleefde aan zijn dun geworden lippen, de helblauwe ogen nog kraakhelder in de kassen. Ja, in deze houding herkende ik Happel als hij langs het veld zat te kijken naar zijn Feyenoord.

Het was er nog steeds, die wonderlijke mix van Oostenrijks, Duits en Nederlands.

Als man van de wereld kon Happel overal aarden. Rotterdam, Hamburg, Brugge. Het maakte niet uit; als er maar een voetbalclub was, een vast clubje kaartvrienden en een adres om pakjes sigaretten te kunnen kopen. Met filter. Roken deed je in stijl, toen. In de periode dat hij onvermijdelijk op weg ging naar zijn dood op 14 november 1992 – Happel had longkanker – ging hij op controle bij een specialist. Hij had maar één verzoek: de dokter moest meepaffen.
“Twee zwarte koffie.”
Het meisje zette de kopjes voor ons neer en liep weer weg.

Mannen op leeftijd met caps op krijgen iets wonderlijks; ze veranderen in oude Kruimeltjes, in eigenwijze Pietje Bells. Happel had het ding opgedaan omdat iedereen over zijn kale hoofd begon. In het ziekenhuis was hem destijds beloofd dat zijn haar zou terugkeren.
We zeiden een tijdje niets. Hij keek naar de jonge mensen die aan tafel zaten met hun laptops en mobieltjes.

Uit verlegenheid begon ik te praten: “Ik heb als 12-jarige jongen op de Coolsingel gestaan, op 7 mei 1970. Met mijn rug tegen een betonnen pilaar van Slavenburg’s Bank. Die balkondeurtjes van het stadhuis die opengingen, dat juichen van 150.000 fans. Die middag heeft mijn jeugd in belangrijke mate gekleurd.”
Happel nam een slok koffie. Aan een trekje rond zijn ogen meende ik te zien dat hij zijn lippen verbrandde.
Wo ist WC?

Stom. Het toilet was boven, op de eerste verdieping. Niet aan gedacht. Happel trok zich nog verbazingwekkend krachtig aan de leuning omhoog. Ik wees hem de deur en wachtte buiten. Toen het te lang duurde, keek ik even om de hoek. Happel stond voor de spiegel, hij kamde de plukjes haar op zijn slapen. Ik herkende het oude kammetje. Hetzelfde model als waarmee hij na afloop van Celtic-Feyenoord op televisie live zijn toen nog volle haarbos achteloos naar achteren werkte. Er ontbraken nu een paar tandjes. Hij stak het weer in zijn binnenzak.

Met twee handen aan de reling gleed hij langzaam de trap af. Happel bleef staan en keek me aan zoals hij vroeger journalisten aankeek bij een persconferentie. Ogenschijnlijk uitdrukkingsloos. In Brugge – waar hij na Feyenoord ging trainen – waren ze soms een beetje bang van de Oostenrijker. “Dat haar, die ogen: hij lijkt op Beethoven”, zeiden ze in Vlaanderen.

Ik had het op een akkoordje gegooid met een bestuurder van een snelle watertaxi. Het bootje lag voor ons klaar in de Leuvehaven.

Happel stond voor de spiegel, hij kamde de plukjes haar op zijn slapen. Ik herkende het oude kammetje.

Trossen los. Leuvehaven uit, het bruggetje onderdoor bij monument De Boeg en de Maas op. De bestuurder gaf gas. De neus van de gele taxi ging omhoog, aan weerszijden spatte het rivierwater omhoog. Trots wees ik naar rechts.
“Erasmusbrug!”
Happel knikte plichtmatig. Het bouwsel zei hem niets. Hij wendde zijn blik af en zocht juist naar links.
“Hij wil – denk ik – dat je omdraait”, riep ik naar de bestuurder.
De taxi maakte een U-bocht, de neus wees naar Rotterdam-Zuid. Naar Happels Rotterdam-Zuid. De rode pylonen van de andere stadsbrug kwamen in beeld.
“Willemsbrug!”, riep ik.

Ik zag hem denken. Een brug voor Willem? Een snelle rekensom in mijn hoofd: Happel was al uit Rotterdam vertrokken, toen de Nieuwe Willemsbrug in 1981 werd geopend. Hij was trainer van Feyenoord van 1969 tot 1973. Om het niet te ingewikkeld te maken, maakte ik een leugentje om bestwil.
“Jaja, vernoemd naar Willem.”
Een mooiere haat-liefdeverhouding tussen een trainer en zijn topspeler Van Hanegem was er in de Nederlandse voetbalgeschiedenis niet te vinden. Twee briljante voetbalgeesten, eigenwijs, slim, hun tijd vooruit. Als Willem van Hanegem een foto ziet van de zieke Happel, moet hij nog altijd slikken.
Willem hield van Happel, zoals Happel van Willem hield.

Willem verloor zijn vader vroeg als gevolg van het bombardement van Breskens in 1944, Happels ouders waren te druk met hun horecabusiness. De jonge Ernst groeide op bij zijn oma.
“Alles gut mit der Willem?”, vroeg Happel.
“Met Willem gaat het prima. Hij geeft nog elke maandag zijn ongezouten mening in een column in het Algemeen Dagblad. Hij is vaak eerlijk en kritisch over Feyenoord. Hard ook, als het moet.”
Happel stak een nieuwe Belga aan, nam een trek en keek tevreden hoe de rook werd meegenomen door de wind.
Hard is gut.”

Een mooiere haat-liefdeverhouding tussen een trainer en zijn topspeler Van Hanegem was er in de Nederlandse voetbalgeschiedenis niet te vinden.

Zichzelf sparen wilde hij in zijn leven ook niet. Na twee maagzweren en decennialang voetbalstress, was zijn lichaam op. Tegen Der Spiegel had hij gezegd: “Ik wil alleen leven als ik gezond ben. Ondergaan als de zon is niet interessant.”
De koude wind sloeg op zijn ogen; een traan trok een streep over zijn wang. Happel liet het maar zo. Ik moest niet denken dat hij emotioneel werd nu hij weer voor even in Rotterdam was. Emotie tonen kwam bij Happel op de laatste plaats. Vroeger zei hij bijna niets, hij deed bijna niets. Dat was zijn klasse.

Coen Moulijn, de linksbuiten van het gouden Feyenoord uit 1970, vertelde na zijn carrière dat hij nooit een gesprek gevoerd had met Happel. Alles ging in soundbytes avant la lettre.
Bij de traumatische wissel in De Kuip tegen Estudiantes voor de wereldbeker, riep Happel naar Coen: “Setzen Sie sich.”
Coen heeft nooit gehoord waarom hij werd gewisseld.
“Ik voelde me toen zo ellendig op de bank. Maar Happel was wel de beste trainer die ik heb meegemaakt.”

Ik vertelde de kleine tragedie aan Happel terwijl ik links aan de Maas de flat zag staan waar Coen zijn laatste jaren sleet. Happel: “Was mich fasziniert is het unieke, das was ein Trainer nicht kan geben. Cruijff, Van Hanegem, Beckenbauer. Die menschen ziet man nicht meer. Coentje auch: vijf, sechs verschillende schijnbewegungen. Coen hat elke achterspieler weggetreibt.”

In de verte moest Happel De Kuip kunnen zien liggen.
“Het stadion is verbouwd, zoals u ziet, meneer Happel. De bovenste ring heeft een overkapping en er is meer ruimte voor iedereen. Daarom zijn er nog maar zo’n 52.000 plekken. In uw tijd haalden ze de 67.000 toeschouwers. Er zijn plannen voor een nieuwe Kuip.”

Happel piekte zijn sigarettenfilter in het water en zag hem verdwijnen in een kolk achter de watertaxi.
“Houdt u Feyenoord nog bij?”
“Fernsehen ist overal, nicht?”
In zijn Rotterdamse tijd keek Happel thuis al uren achtereen voetbal op tv. Liever een tweederangs potje voetbal dan een speelfilm in de bioscoop. Je kreeg hem alleen uit huis voor een avondje gokken in het casino of voor geld een potje kaarten in zijn stamcafé ’t Haantje op Rotterdam-Zuid.

Hoe zou hij het Feyenoord van nu vinden? Was de tactiek goed, met Botteghin als centrumverdediger en Vilhena als bedrijvige middenvelder? In de kajuit haalde Happel met zijn zakdoek de waterspatten van het tafeltje dat precies de vorm had van een voetbalveld. Er kwam een pakje Belga uit zijn binnenzak tevoorschijn. Hij nam drie filtersigaretten en legde ze achter elkaar op het tafeltje. Drie witte staafjes lagen in de as van het imaginaire veld. “Tactiek, tactiek? Das ist der Coentje, der Rinus und der Willem.”

Twee sigaretten verdwenen weer in het pakje. De derde stak hij aan. Hij inhaleerde, met een hoestbui als gevolg. Ik sloeg hem op zijn rug. Of ik met een vlakke hand op een lege kartonnen doos sloeg. Na een paar halen verdween de peuk overboord. Gedoofd in het water van de Maas. We stapten uit de watertaxi en liepen naar De Kuip. Happel keek omhoog naar het stadion en wees naar het spandoek aan een stalen trap. Uitgevoerd in witte letters met een rode ondergrond, analoog aan het Feyenoordtenue: ‘Kein Geloel, Fussball spielen.’ Aan lang praten had Happel altijd een broertje dood gehad. Soms was één woord afdoende. Toen Feyenoord in 1969 tegen AC Milan speelde voor de Europacup wilde hij de Italiaanse spelmaker uitschakelen. Hij wees naar middenvelder Wim Jansen en zei: “Rivera.” Jansen begreep de boodschap. Gianni Rivera raakte geen bal en Feyenoord ging een ronde verder.

Met zijn wijsvinger duwde Happel zijn mouw opzij en keek op zijn horloge. Een snerpend fluitgeluid kwam tussen zijn lippen vandaan. Spelers gehoorzaamden vroeger als trouwe honden op dat signaal, nu reed er een taxi tot aan de punten van zijn schoenen. De oude chauffeur wist niet wat hij zag: “Kijk eens aan, meneer Happel. Naar ’t Haantje zeker?”

Met een zwaai gooide de chauffeur de deur achter de ingestapte Happel dicht en ging zelf achter het stuur zitten. Het zijraam gleed automatisch naar beneden. “Santos, doch? Die Scheids in 1969 tegen AC Milan war Herr Santos, von Portugal. Schön nicht?”

Hij zwaaide, met een slap handje. De taxi reed weg. Over het lege plein kwam een jongen aangewandeld in een Feyenoord-thuisshirt van twee seizoenen terug. “Wie was die man met die pet?”
“De beste trainer die we ooit gehad hebben.”
“Koeman?”
“Nee.”
“Verbeek?”
“Happel”, zei ik. “Ernst Happel.”
“Nooit van gehoord”, zei de jongen.
“Geeft niet.”
“We pakken de titel volgend seizoen, denkt u ook niet?”
“De kans is groot”, zei ik. “Mit der Gio, der Dirk und der Kenneth.”
De jongen keek me wezenloos aan en liep weer door.

Bij de Olympiatribune herkende ik de contouren van het ranke lijf van Coen Moulijn op een sokkel. Mister Feyenoord in brons gegoten. Binnen in het stadion stond ook een borstbeeld van Happel, wist ik. Twee grote Feyenoorders uit vervlogen tijden. De hartenazen van hun tijd. Roerloos stonden ze, in de schaduw van De Kuip. Alsof ze – net als ik – terugdachten aan vroeger. Aan dat oogverblindende, onschuldige jaar 1970. Ik hoorde Happel al brommen: “Ach meiner Junge, das war einmal.”

Lees ook
Binnendoor

Björn van
der Doelen

​“Mark van Bommel kon de hele dag over voetbal praten. Ik keek niet eens de samenvattingen van mijn eigen wedstrijden, ging liever een beetje pielen met mijn gitaar.”
Overig

Ciao, Marco

Zijn afscheid in San Siro op 18 augustus 1995 voelde zo ongelooflijk, dat de toen zestienjarige Sjoerd Mossou besloot het niet te geloven. Marco van Basten was zijn held, en helden stopten niet. Hij was pas dertig, godverdomme.
Interview

Sneijder zingt
Hazes

Als iemand de soundtrack schreef bij het leven van Wesley Sneijder, dan was het André Hazes. “Bij bijna alles wat ik denk, doe of meemaak, past wel een nummer van André.”
Reconstructie

Het wonderlijke relaas
van verzorger Jan Maas

Supersub Wim Kieft uit Amsterdam is voor altijd de man die met een curieuze kopbal de aanzet gaf tot Oranjes EK-winst in 1988. Verzorger Jan Maas uit Ven-Zelderheide schreef geschiedenis door tijdens het bekertreffen tussen N.E.C. en De Treffers in 2000 juist een doelpunt met zijn hoofd te voorkomen. Reconstructie van een van de meest bizarre voetbalacties ooit.
Binnendoor

Leo
Beenhakker

“Ik ben een jaar lang een kakkerlak genoemd in Amsterdam en een pleurisjood in Rotterdam. En niet alleen door simpele zielen, maar ook door intelligente mensen met een leidinggevende baan bij een groot kantoor. Kun je zeggen: ‘Dat hoort erbij als je overstapt.’ Maar dat ís niet normaal.”
Overig

SANTOS presenteert:
DIEGO MARADONA

Nog een paar weken en dan verschijnt DIEGO MARADONA, de veelbesproken docufilm van Oscarwinnaar Asif Kapadia (SENNA, AMY) over de opkomst en ondergang van Diego Armando Maradona. Wij hebben ’m alvast mogen zien en we kunnen verklappen: het is 125 minuten lang genieten geblazen van nog niet eerder vertoonde beelden. In aanloop naar de bioscooppremière toert SANTOS langs filmhuizen in Breda, Utrecht en Rotterdam met een speciale preview van de film.