Eusébio en het zout van de traan

Woord: Wilfried de Jong
Gepost: 21-12-2018
Wilfried de Jong brengt in SANTOS geregeld een ode aan een overleden voetballer door hem voor een dag terug te halen op aarde. Deze keer spreekt de Portugees Eusébio (1942-2014) af met zijn nog springlevende opvolger Cristiano Ronaldo.

Beeld: Mirjam Riemens/Studio Vonq
Eerder verschenen in SANTOS #03, november 2016.

Losjes stuurde Ronaldo Het Beest met zijn linkerpink langs de rotskust van de Algarve. De jongens van de Bugatti-garage hadden zijn nieuwe auto heel fijntjes afgesteld. Soms – als er verder even niemand op het asfalt was – gaf Ronaldo een dotje gas en werd hij in zijn kuipstoeltje geduwd. Lekker gevoel.

Ronaldo wreef ondertussen met de vrije hand over zijn blote dijen. Zijn sportbroekje was hoog opgetrokken, dan kon hij regelmatig kijken naar zijn gespierde bovenbenen die hem nooit in de steek lieten. Zijn kuiten waren bedekt met drukkousen.

De zwarte Bugatti Veyron kon in 2,6 seconden van 0 naar 100. In die tijd kwam zijn vriend Usain Bolt net omhoog vanuit zijn startblok, dacht Ronaldo. De topsnelheid? Ruim 400 kilometer per uur. Langs de kust stonden geen flitspalen, hooguit een paar motoragenten op de vluchtstrook, na een scherpe bocht. Maar ach, die ontdooiden wel als ze hun beroemdste Portugese voetballer herkenden.

Het sms’je had hem diep geraakt. ‘Lieve vriend, ik ben één dag terug op aarde. Kom je naar het einde van de wereld? Abraço ardente, E.’ Ronaldo had de boodschap begrepen. Dit kon hij niet afslaan. Hij had maar een middag en avond de tijd, dan moest hij weer terug. Maar het reisje kon, zeker met die snelle Bugatti.

De lage zon was zo fel dat zelfs de polaroidglazen van de pilotenzonnebril, de Nike MDL.270, hem af en toe in de steek lieten. Ronaldo kende de weg; iedere Portugees was wel een keer naar het einde van de wereld geweest. Het bordje Cabo de São Vicente hing scheef op een paaltje in de zanderige berm. Nog 3,5 kilometer. Ronaldo herkende het uiterste puntje van Portugal. Een wilde zee, rotsen, vale parkeerterreinen, omgekeerde boten met vers teer op de bodem.

Op deze slome maandagmiddag waren er weinig mensen op de kaap. Ronaldo parkeerde de Bugatti en stapte uit. Drie uur bij de vuurtoren, dat was de afspraak.

Hij keek op zijn horloge. Vijf voor drie. Mooi. Hij haatte het om te laat te komen. Hij had een naam hoog te houden: altijd als eerste op het trainingsveld. Spelen met de bal, vrije trappen in de kruising schieten. In de linker- en rechterbovenhoek. En na afloop nog een uurtje zweten in het krachthonk.

Golven spatten uiteen tegen de rotsen en zorgden voor een koude douche. Ronaldo moest denken aan de sprinklerinstallatie op het trainingscomplex van Real die af en toe spontaan afging. Hij wreef de druppels van zijn gezicht en streek door zijn haar. Een warme hand gleed over zijn nek. “Hoe is het met onze grote volksheld?”, hoorde Ronaldo achter zich.

Hij draaide zich om en keek in het ronde gezicht van Eusébio. Er volgde een stille omhelzing. Ronaldo streek over de grijze krulletjes die nog altijd markant laag op het voorhoofd van Eusébio doorgroeiden. “Kom”, zei Eusébio.

Met kleine passen liep hij langs de witgepleisterde muren rond de vuurtoren en daalde via een stenen trapje af naar rotsachtig gebied. Ronaldo volgde en keek naar de knokige schouders onder het versleten rode trainingsjasje van Benfica.

Eusébio koos een zijpad en ging al snel op de grond zitten. Ronaldo bleef nog even staan en keek uit over de zee. Dit was het zuidelijkste puntje van Europa. De golven sloegen kapot tegen de klif, zo’n dertig meter onder hen. De wind nam de druppels mee en zorgde voor een nevelig watergordijn. “Ik kom graag aan de overkant. In Marrakesh. Mooie mensen daar. Lekker eten ook.”

Eusébio was stil. Hij pakte een steentje en gooide het voor zich uit. Het was niet te zien hoe het in zee belandde. Het haar van Ronaldo waaide de verkeerde kant op. Hij drukte de onwillige plukken weer snel in de bakvorm.

Ronaldo onderdrukte de wens om op zijn mobieltje te kijken hoeveel mensen zijn laatste foto van zijn blote torso op Instagram een hartje hadden gegeven.

“Kroeshaar verdraagt geen vet en gel”, zei Eusébio en lachte ingehouden. Ronaldo ging naast de oude held zitten. “Wat vond u van me op het afgelopen EK in Frankrijk, lieve man?”
“Goed, niet geweldig.”
“Omdat ik niet genoeg doelpunten scoorde?”
“Nee, omdat je beter kan. Weet je zelf ook.”
“Ik was niet topfit.”
“Je speelt te veel wedstrijden. Terwijl… Je hoeft je niet steeds te bewijzen.”
“U weet toch dat ik altijd alles geef, me kapot train om nog beter te worden dan ik al ben?”
“Weet ik, weet ik. Je sprongkracht is fantastisch. Zoals jij in de lucht kan hangen om te koppen, dat kunnen er maar weinig. Je kunt zweven. Dat is een godsgeschenk, besef dat goed.”

Met zijn oude hand zeefde Eusébio een schelpje uit de losse aarde. Hij stopte het in zijn mond en zoog erop. Met zijn tong duwde hij het schelpje weer naar buiten en liet het in de palm van zijn hand vallen. Hij spuugde een fluim vol zandkorrels over de rand van de klif. “Aaah”, riep Ronaldo, met een vies gezicht. Eusébio duwde het schelpje tussen zijn duimen en wijsvingers, bracht het naar zijn mond en blies. Er klonk een schel geluid dat snel vervloog door de harde wind. Na een minuutje fluiten stopte Eusébio het schelpje weer in zijn mond. “Ik hou van de zoute smaak. De natuur is de bron van alles.”

Er klonk een opgewonden ringtone uit het mobieltje dat Ronaldo tussen buik en broeksband had gestoken. Gegeneerd zette hij de telefoon uit.
“Hoeveel geld heb je op de bank staan?”
“Weet ik niet precies, dat houdt mijn manager allemaal bij.”
“Miljoenen, toch? Veel miljoenen?”
“Ja”, zei Ronaldo. “Miljoenen… Real is een rijke club, dat weet u.”

Eusébio gooide het schelpje van de ene in zijn andere hand.
“Op mijn achttiende speelde ik in Mozambique, bij Lourenço Marques. Benfica wilde me heel graag hebben. Ze betaalden mijn moeder – ze was toen al weduwe – een bedrag van 7.500 dollar. Weet je wat ze zei: ‘Als mijn zoon niet goed is, betaal ik het terug.’”

De twee mannen keken uit over de zee. Een helikopter maakte een ruime ronde over de baai.
“Het einde van de wereld”, mompelde Eusébio in zichzelf. “Wat was het mooi hier op aarde. Dank Portugal, dank.”

Ronaldo voelde hoe een windvlaag zijn tepels hard blies. Hij onderdrukte de wens om op zijn mobieltje te kijken hoeveel mensen zijn laatste foto van zijn blote torso op Instagram een hartje hadden gegeven.

“Ik heb je zien huilen op het veld in Parijs, tijdens de finale tegen Frankrijk”, zei Eusébio. Hij keek naar Ronaldo die zijn gezicht afwendde. “Hoef je je niet voor te schamen. Ik speelde in 1966 de halve finale WK, tegen Engeland. Mijn directe tegenstander was Nobby Stiles. Een kalende, harde verdediger, zijn halve gebit lag eruit. Ik speelde een geweldig toernooi, scoorde zelfs vier keer in één wedstrijd tegen de Noord-Koreanen. Maar van Engeland verloren we met 2-1. Hoewel ik één keer scoorde, kon ik het niet verdragen. Terwijl ik het veld afliep keek ik naar de hemel, vroeg God waaraan ik dit te danken had. En toen kwamen de tranen.”

Huilen op het veld, het is niets om je voor te schamen, legde Eusébio uit.

Eusébio zette zijn bril even op zijn grijzende kroeshaar en veegde met de mouw van zijn trainingsjack het vocht uit zijn ooghoeken. Ronaldo sloeg een arm om hem heen.

“Geeft niet, u zit voor eeuwig bij alle Portugezen in hun hart. De Zwarte Parel van Mozambique is onsterfelijk.”
“Maak dat de kat wijs”, zei Eusébio terwijl hij de bril weer voor zijn ogen zette. “Ik ben zo dood als een pier. Ze zijn zelfs bezig om me opnieuw te begraven in het Nationale Pantheon, tussen presidenten, schrijvers en fadozangeres Amália Rodrigues.”

Met zijn wijsvinger tekende Ronaldo een kruisje op het rimpelige voorhoofd: “U bent een heilige.”
“Nee, ik ben en blijf die arme sloeber uit Mozambique, de jongen die op blote voeten leerde voetballen. Maar ik leefde voor de bal. Die hele commerciële ellende van nu kan me gestolen worden.”

Eusébio wilde opstaan, maar kreeg zijn stramme lijf niet omhoog. Ronaldo sprong op en trok de oude voetballer aan zijn oksels omhoog.
Als een verliefd stelletje stonden ze tegen elkaar aan. Ronaldo was een kop groter. De kruin van Eusébio kriebelde onder zijn kin, maar hij durfde niet te krabbelen. Ronaldo keek naar de blauwe lucht waar zeemeeuwen hun vleugels spreiden en zich als papieren vliegtuigjes lieten meevoeren door de wind.
“Heeft u al die motten gezien tijdens de EK-finale in Parijs? Er landde er zelfs eentje op mijn oog toen ik op het veld niet meer verder kon door een blessure.”
Ronaldo voelde het oude hoofd op en neer gaan. De jeuk nam toe.
“Gezien”, hoorde hij onder zich. “Duizenden motten in het Stade de France. Ik heb het gezien, ja. Die klote Fransen wilden ze eerst nog verdelgen. Ronaldo, ik zeg je in vertrouwen: die motten, dat waren overleden Portugezen die bij hun nationale elftal wilden zijn. Ik hoef jou niet te zeggen hoelang Portugal verlangde naar een hoofdprijs.”

Op de rand van de klif stonden de twee mannen nog steeds in elkaars armen. Eusébio liet zijn handen gaan over de brede rug, de welvingen bij de heupen, over de harde billen.“Tsjonge, zo sterk als jij ben ik nooit geweest.”
“Maar aan de bal, tijdens een dribbel, was je net zo goed als ik”, zei Ronaldo.
“Misschien wel beter”, antwoordde Eusébio. Zijn lachen ging over in hoesten.

Ronaldo klopte op de broze rug. “Wie zal het zeggen?” Ze lieten elkaar los en keken uit over de zee die glinsterde door de laagstaande zon. Eusébio trok de rits van zijn trainingsjack tot aan zijn adamsappel dicht: “Ik ben moe. Ik wil gaan.”

Aan de arm van Ronaldo liep hij weer omhoog naar de vuurtoren.“Jij bent nu de volksheld, Ronaldo. Ik weet hoe het voelt. Geniet ervan, maar bedenk: aan het einde van de wereld, aan het einde van het leven is de natuur je grootste vriend.”

Ze zoenden elkaar op de wang. Eusébio keek Ronaldo aan en aaide hem een paar keer over de bol. Automatisch gleed de hand van Ronaldo ter controle over zijn haar. “Het zit goed. Maak je niet zo druk.” Ronaldo knikte nederig, als een schoolknaap tegenover zijn meester.
“Moet ik u nog ergens heen rijden?”
“Nee, jongen. Ik ga naar de vuurtoren en klim daar naar het licht.”

Ronaldo maakte een high five die niet werd begrepen door Eusébio; de Zwarte Parel had zich al omgedraaid en liep met voorzichtige passen over de rotsachtige bodem. Eindelijk kon Ronaldo aan zijn kin krabbelen. De lak van de Bugatti was bedekt met een dun laagje zand. Thuis maar snel even door de wasstraat. Of zou hij het zelf eens met de hand gaan doen?

Ronaldo draaide de auto in de goede richting en reed de kustweg op. In zijn achteruitkijkspiegel zag hij de vuurtoren verdwijnen. De pink zat weer aan het stuur. Met zijn vrije hand trok hij zijn mobieltje uit de broekband en tikte de code in. Eerst Instagram, van de 77,7 miljoen volgers hadden ruim 2 miljoen zijn blote torso een ‘like’ gegeven. Hij keek voor zich. Niemand op de weg. Nu de berichten. Er klonk een piepje. Een vers bericht: ‘Die mot op je oog, dat was ik. Lekker, die zoute traan. Abraço ardente, E.’

Die mot op het oog van Ronaldo - het was Eusébio zelf. ‘Lekker, die zoute traan.’
Lees ook
SANTOS #14: Engeland special

Please
don't go

Een bakermat van nostalgie, maar ook van het moderne voetbalkapitalisme; geen voetballand is zo contrastrijk als Engeland. Voor SANTOS #14 doken onze fotografen, schrijvers en tekenaars met liefde in de Engelse voetbalcultuur, juist in deze tijden van Brexit.
Overig

Ernst Happel
terug in Rotterdam

Wilfried de Jong laat Ernst Happel (1925-1992) voor heel even terugkeren op aarde. “Ach meiner Junge, das war einmal.”
Binnendoor

Danny
Koevermans

“Een goede amateurclub is de ideale samenleving. Als jij niks te doen hebt in je vrije weekeinde en je wilt wat aanspraak, ga je lekker naar je club. Bakkie koffie, beetje kletsen, even de B1 kijken in de ochtend, daarna het eerste, daarna een drankje. In een voetbalkantine kun je altijd terecht.”
SANTOS SPECIAL: 100 JAAR BEKERVOETBAL

Ooit winnen
wij ’m

Voor iedere supporter van een kleine club is de KNVB Beker de heilige graal, een obsessie, de ultieme beloning voor jarenlange trouw. Totdat je – zoals bijna altijd – roemloos wordt uitgeschakeld. Dan wil je er acuut niets meer van weten, van die verdomde beker. Een essay van Sjoerd Mossou.
SANTOS #04: DE KLASSIEKER

Allebei rood-wit,
toch oneindig anders

Ajax en Feyenoord koesteren hun zo herkenbare clubtenue, beroemd tot in alle uithoeken van de wereld. Maar wat vertelt het shirt over de identiteit van beide clubs – en wat over De Klassieker? Op zoek naar sentiment, smaak en schoonheid.
Reconstructie

Feyenoorder Cruijff
en de vier
klassiekers

Juist in het seizoen (1983-1984) dat Ajax en Feyenoord vier keer tegen elkaar speelden, kwam Johan Cruijff uit voor de club uit Rotterdam. Een reconstructie van het klassieke kwartet door de ogen van directbetrokkenen.