Het mooiste voetbal volgens Dennis Bergkamp

Woord: Jaap Visser
Gepost: 25-04-2018
Vraaggesprekken over Ajax mijdt hij ’t liefst, maar over het mooie van voetbal en over mooi voetbal praat hij graag en vol vuur. Dennis Bergkamp, icoon van het kunstzinnige voetbal, neemt plaats op de praatstoel. Wie inspireerden de jonge Dennis? Wie vervoeren de huidige Bergkamp? “Kopieergedrag ergert me, kopiëren leidt tot mislukken, omdat een kopie nooit zo goed is als het origineel.”

Beeld: Lennaert Ruinen, VI Images
Eerder verschenen in SANTOS #03, november 2016.

MANNEN AAN DE MUUR

In de jongenskamer van Dennis Bergkamp, aan de James Rosskade in Amsterdam-West, hingen posters van drie voetballers: Glenn Hoddle, Michael Laudrup en Zbigniew Boniek. De jonge Bergkamp had zo zijn idolen, maar het was niet zo dat hij met ‘zulke extreem goede voetballers’ dweepte, ze vereerde. De verbeelding ging nooit met hem aan de haal als hij op zijn bed in de flat langs de Ringweg A10 naar die drie aan de muur lag te kijken. Hij dacht aan wat hij zo goed aan hen vond en hoe hij daar iets van in zijn eigen spel zou kunnen stoppen. Want Dennis was vooral bezig met zelf een betere voetballer worden, veelzijdiger, doelgerichter. Hij keek naar het buitenlandse voetbal dat in de jaren zeventig en zelfs in de jaren tachtig nog maar mondjesmaat op televisie kwam en speurde naar de speciale gevallen, stijlvolle spelers die iets hadden toe te voegen aan zijn jongensachtige spel. Spelers als Hoddle, Laudrup en Boniek.

We roepen ze in herinnering op het terras van Borchland, het sport- en horecacomplex dat tussen de Arena en De Toekomst ligt. Het is zo’n herfstmorgen waarop het nog volop nazomert en Bergkamps humeur is al net zo stralend als het weer. Vraaggesprekken over hoe Ajax er sportief en organisatorisch voor staat, mijdt hij ’t liefst, maar over het mooie van voetbal en over mooi voetbal praat hij graag en vol vuur.

We zitten pal langs de golfbaan waarop een bejaarde vrouw met woeste misslagen een balletje de green op probeert te meppen. Dennis zit met zijn rug naar het spektakel en vraagt me om hem te waarschuwen, mocht de golfster in spe het balletje onverhoopt vol raken. Het contrast met het balgevoel van de stijliconen op zijn slaapkamerposters kan niet groter.

Glenn Hoddle (links), volgens Dennis Bergkamp de ideale spelverdeler.

Glenn Hoddle, spelverdeler op het middenveld van Tottenham Hotspur, een technisch begaafde uitzondering in de dan nog rauwe league van kick and rush. Bergkamp: “Hoddle was De Aanname. Ongeacht of hij het met z’n rechter of linker deed, zijn aanname was altijd perfect. Na de aanname lag de bal panklaar voor het vervolg. Hoddle hoefde nooit een tussenactie te maken. Hij kon meteen verder, dat scheelde seconden. Hij was de ideale spelversneller.”

“Hoddle was ook De Aangever. Hij gaf aan vanaf het middenveld, maar liet zich ook een linie terugzakken, om de lange de bal te kunnen versturen. Dan legde hij hem perfect achter een back, in de vrije ruimte. Hoddle had het totale overzicht, hij zag de ruimtes vlak bij hem, maar ook verderop. Hij was een complete spelverdeler, een Europese speler. He stood out.” Bergkamp focuste zich op Hoddle en nam zijn observaties mee naar het trainingsveld. “Daar probeerde ik ballen uit de lucht te halen en in één moeite door dood te maken, zodat je meteen verder kon.”

Michael Laudrup, Deense linksbuiten van Juventus, geen ouderwetse, aan de zijlijn klevende vleugelspits, maar een aanvaller die vanaf links kwam en die met zijn slalomdribbels verdedigingen openreet. Bergkamp: “Op die poster hing Laudrup met z’n lichaam schuin over de bal. Voor zich uitkijkend, bal aan de voet, de zaak volledig onder controle hebbend. Hij was de slangenmens die op zoek was naar iets beslissends: een dribbel, een steekpass. Hij was er altijd op uit om het verschil te maken.”

“Dat mooie zwart-wit van Juventus stond hem ook zo goed. Dat shirt met dat kraagje en die V-hals en dan die uitstraling van: kom maar op met die bal, ik ga er iets moois mee doen, iets goeds voor het team. Laudrup heerste in het gebied tussen middenveld en aanval. Bij alles wat hij deed, had hij een bedoeling. Hij deed nooit zomaar wat. Wanneer hij de bal kreeg, wist hij wat hij ermee zou gaan doen. Als jong ventje begreep ik al dat je ook met je hoofd voetbalt, dat je je hersens moet gebruiken. Ik dacht voortdurend na, achter elke trap zat een gedachte. Ik wilde de bal altijd graag hebben, ik was nooit bang, net als Laudrup.”

Dennis Bergkamp: “Ik wilde de bal altijd graag hebben, ik was nooit bang, net als Laudrup.”

Zbigniew Boniek, ook Juventus, Poolse spits die balbeheersing aan ongebreidelde aanvalslust koppelde. Staaltje natuurgeweld dat de kortste weg naar het doel zocht, tegenstanders negerend op kracht en snelheid. Bergkamp: “Dat hele felle en gedecideerde van Boniek sprak mij aan. Hij eiste gewoon de bal op met een houding van: let op, er gaat iets gebeuren. Zijn drive maakte indruk. Ik heb niet zoveel acties van hem op mijn netvlies staan, maar ik weet nog wel wat ik dacht toen ik die poster van hem zag: kom maar hier jij, Boniek, jij bent goed genoeg voor aan de muur.”

Want zo ging het met de posters die Dennis aantrof in de voetbalblaadjes. De enkeling die er in zijn ogen goed genoeg voor was, mocht aan de muur. “En de rest liet ik lopen. Ik was ook niet echt bezig met idolen, er moest gewoon iets aan die muur. Anders was het zo’n kale muur. Ik hing ook plaatjes van Grease op. Die zaten volgens mij bij de kauwgom. Ik had die film gezien en toevallig vond ik ’m leuk.”

Als je op straat voetbalde, zei je ook niet dat je Johan Cruijff was. Dat was gewoon te absurd.
Dennis Bergkamp
MANNEN DIE ZWEVEN

En Johan Cruijff, die voetbalde toen toch ook nog, waarom hing die niet aan de muur? “Ik denk dat ik Cruijff nooit als poster ben tegengekomen. Hij had best aan de muur gemogen hoor, maar ik zag Johan niet als idool. Daar was hij te goed voor. Cruijff was onbereikbaar, die zweefde ver boven alles uit, zo goed was hij, de beste in alles. Als je op straat voetbalde, zei je ook niet dat je Johan Cruijff was. Dat was gewoon te absurd. Wie wil jij zijn? Cruijff? Ja, hè, hè, wie niet.”

Diego Maradona dan. Het houten poppetje dat Bergkamp maakte voor het paaltjesvoetbal op de Juliaschool in Bos en Lommer moest de nummer 10 van Argentinië voorstellen. Maradona was toch zeker ook een idool?

“Nee, niet echt. Mijn interesse lag niet zo erg bij Maradona. Een waanzinnig goede voetballer natuurlijk, iemand die in zijn eentje het verschil kon maken, net zoals Messi nu en allebei de Ronaldo’s, zowel de Braziliaan van twintig jaar geleden als Cristiano. Fantastische spelers hoor, weergaloos in het mannetjes passeren, maar dat was niet mijn stijl. Omdat ik dat nooit zo goed heb gekund. Eerst was ik de diepe spits, de afmaker en daarna de middenveldman die door zijn
passing beslissend was in de voorfase. Mijn interesse lag altijd veel meer bij spelers van wie ik dacht: van hen kan ik iets overnemen. En daar ging ik dan mee aan de slag: oefenen.”

MANNEN TUSSEN DE LINIES

Ook de trainer Dennis Bergkamp heeft zo zijn voorkeur. Hij laat zijn oog het eerst vallen op spelers die trekjes van hem vertonen: Christian Eriksen, Davy Klaassen, Hakim Ziyech. “Voetballers die ook dat gevoel voor ruimtes en voor de snelheid van de bal hebben. Jongens die anticiperen in plaats van reageren, die overzicht hebben en die bij de zestienmeterlijn beslissende dingen kunnen doen.”

In zijn biografie uit 2013 spreekt Bergkamp van ‘het zien van de nog niet ontstane ruimte’. Het spel voorvoelen, dingen zien die anderen (nog) niet zien. Dat is voor hem de essentie van het spel, het allermooiste van voetbal. En de spelers die uitblonken in het anticiperen op wat onvermijdelijk komen zou, waren ‘tussen-de-linies-voetballers’: Johan Cruijff, Michael Laudrup, Jari Litmanen, Thierry Henry, hijzelf.

En wie spelen er vandaag de dag met vooruitziende blik tussen de linies? Bij zijn oude club Arsenal Aaron Ramsey en Mesut Özil, bij Barcelona Andrés Iniesta. Zij zijn Bergkamps stijliconen van nu. “Bij Ramsey straalt het plezier er vanaf. Of hij nou met Wales op het EK speelt, met Arsenal in de Champions League of in een bekerwedstrijdje op het platteland, hij speelt het spel om te genieten. Het niveau maakt hem niet uit, hij is de ware liefhebber. Özil oogt laconiek, maar dat komt omdat het er bij hem allemaal zo makkelijk uitziet. Alsof het geen moeite kost. Hij is de pure stilist. Iniesta is de allerbeste tussen-de-linies-voetballer, meer dan wie ook de man die in het spel dingen ziet die er nog niet zijn.”

Bergkamp vindt het mooi dat er nog voetballers zijn die excelleren zonder zich iets aan te trekken van de positie die zij dienen in te nemen. “Voetballers die dwars door de systemen spelen, voor wie systemen er eigenlijk niet toe doen.” 

Hij is geen systemenman. “Tegenwoordig word je doodgegooid met systemen. Maar het maakt niet uit waar op het papier de poppetjes staan, zolang er maar balans in het elftal is en de bezetting op het veld een beetje klopt zodat je overal met driehoekjes het verschil kunt maken. Oké, je hebt een systeem nodig als kapstok, een beginopstelling. Maar zodra je gaat spelen, moet je door creatief te zijn vrijheid creëren. Met positiewisselingen en het spel versnellen, ontregel je de tegenstander.”

Bij die Brazilianen waren het allemaal korte passjes, hakjes, tikjes met de buitenkant voet, tikjes in de lucht, heel enerverend.
Dennis Bergkamp
MANNEN MET GEBOGEN KNIEËN

Hoddle, Laudrup en Boniek hing hij aan de muur, Francesco Graziani nam Bergkamp thuis mee de gang op waar hij partijtjes uitvocht met Marcel, de jongste van zijn drie oudere broers. Op hun sokken gleden zij over het zeil, één tegen één met een klein balletje. “Grá-zi-jáni”, riepen ze dan. Dat was in 1982 toen Italië in Spanje wereldkampioen werd, met Graziani in de aanval.

Het ging om die naam, de speler zelf zou Dennis zich niet eens meer voor de geest kunnen halen. Favoriet in ’82 was natuurlijk Brazilië, met Zico, Socrates, Falcão, Junior en Eder, het hakjes-ensemble van coach Tele Santana, de voetbalromanticus die de short passing verordonneerde, en het door elkaar lopen (positiewisselingen). Johan Cruijff zou zeggen: georganiseerde chaos.

Bergkamp: “Bij die Brazilianen waren het allemaal korte passjes, hakjes, tikjes met de buitenkant voet, tikjes in de lucht, heel enerverend. En ze verbaasden met hun traptechniek, die verschilde van de Europese, ze raakten de bal anders, waardoor je van die zwabberballen kreeg waar Roberto Carlos later zo beroemd mee zou worden.

“Die Brazilianen liepen ook anders, met gebogen knieën, niet zo rechtop als wij in Europa deden, maar alsof ze door ’t zand liepen. Het was strandvoetbal, in een relaxed tempo met van die korte balletjes waarmee het rustig aan naar voren ging. En dan was daar ineens een versnelling. Ik keek ernaar en dacht: hé, ja, dit is anders, maar het is ook heel goed. En mooi.”

Vier jaar later, toen Maradona op het WK in Mexico met Argentinië naar de wereldtitel soleerde, had je Josimar die Bergkamps aandacht trok. De rechtsback van Brazilië kogelde eerst raak tegen Noord-Ierland en vervolgens tegen Polen. Bij die laatste goal stond hij dicht tegen de achterlijn aan. In zijn daverende schot na een knappe dribbel ontdekte Bergkamp, zeventien jaar inmiddels, een plof.

“Het was een wreeftrap, van opzij, tegen een bal die nog rechtdoor aan het rollen was. Daardoor kreeg je een vreemd effect. En ook die plof, de bal sloeg op het laatst omlaag. Het was fascinerend en daar moest ik gewoon iets mee doen. Die Josimar flikte iets met die bal wat niet normaal was en dat wilde ik ook kunnen. Maar het bleek verdomd moeilijk, en risicovol, want je probeerde het effect een ander effect te geven en daar kon je lelijk mee voor schut gaan. Het luisterde nauw, want je moest anders schieten en tegelijk om je standbeen denken. Eigenlijk moest je die neerzetten op de plek waar de bal rolde en voor je het wist, kleunde je vreselijk mis.”

Ik wil origineel zijn. Ik wil dat wij, Ajax en het Nederlandse voetbal, origineel zijn. Dat hoort bij ons, al eeuwenlang.
Dennis Bergkamp
MANNEN DIE NIET TERUGDEINZEN

Trainen op Josimars effectvolle plofschot was Dennis ten voeten uit, altijd op zoek naar inzichten en technieken waarmee hij zijn repertoire als doelgerichte aanvaller, en later als spelbepalende middenvelder, kon uitbreiden. Hij was er voortdurend op uit zijn spel te perfectioneren, nog mooier te maken, nog aanvallender.

De trainer Bergkamp prefereert de schoonheid van het aanvalsspel al evenzeer en ja, natuurlijk heeft hij zich de laatste jaren geregeld zitten ergeren aan het tekortschietende Ajax-voetbal. Dat tergende rondspelen, veel te ver van het vijandelijke doel, het druiste tegen zijn voetbalopvatting in. “Het leek soms positiespel om het positiespel, met als streven een zo hoog mogelijk percentage balbezit. Ik heb daar niet zoveel mee, het is voetbal zonder werkelijk einddoel.”

Te vaak was het bij Ajax voetballen in z’n achteruit, in plaats van in z’n vooruit. En zo zelden in de overdrive die de grote Ajax-ploegen kenmerkte; versnellingsvoetbal waar Bergkamp zelf zo geweldig goed in was. Hij verzette zich ertegen. “Zoek het avontuur”, zei hij dan. “Durf te voetballen, durf risico te nemen, verschans je niet in afwachtend voetbal.” Maar te vaak naar zijn zin ontbrak het lef om een doelpunt te willen maken en was het veiligheid voor alles. Dat kortetermijnresultaatvoetbal deed het publiek morren en Dennis geregeld mopperen in het trainersoverleg.

De rem erop, terugschakelen, Bergkamp zag de angsthazerij niet alleen in Ajax sluipen, maar in het hele Nederlandse voetbal. Het aarzelende balbezit-voetbal stoort hem, evenals het wanhopig zoeken naar aanknopingspunten in het spel van buitenlandse succesploegen.

“Als het bij ons in Nederland weer eens niet is gegaan zoals we hadden gehoopt, wordt er gepraat, massaal. ‘Wat doen we eraan?’, wordt er dan gevraagd. ‘Barcelona speelt zus en Duitsland zo, laten we ook zus en zo gaan doen.’ Dat ergert me. Kopieergedrag ergert me, kopiëren leidt tot mislukken, omdat een kopie nooit zo goed is als het origineel.”

“Ik wil origineel zijn. Ik wil dat wij, Ajax en het Nederlandse voetbal, origineel zijn. Dat hoort bij ons, al eeuwenlang. Het gaat terug tot de middeleeuwen. Onze meesters in de schilderkunst waren origineel. Zij kopieerden niet. Als wij dominant in het voetbal willen zijn, moeten wij niet bij de eerste de beste tegenslag terugdeinzen. ‘We moeten zekerheden inbouwen’, wordt er gezegd als we weer eens op onze donder hebben gekregen, ‘we moeten realistischer gaan voetballen’. Realistisch? Wat is dat? Het realisme van wie? In elk geval niet het realisme van een Ajacied, niet dat van een Nederlander. Realistisch voetbal is vlak spel, zonder risico’s, zonder avontuur, niet uniek en dat is nou juist wat wij moeten willen zijn: uniek.”

“In ons voetbal moeten we weer brutaal durven zijn en als het nodig is, moeten we overal op het veld één op één durven spelen. Dan kun je op je bek gaan ja, en goed ook, maar daar word je hard en beter van. Laat je niet afschrikken, ga ermee door, denk en doe aanvallend. We moeten terug naar voren, in de geest van Johan Cruijff, onze grootste avonturier. Cruijff is het beste wat het Nederlandse voetbal heeft voortgebracht en hij heeft nooit iemand gekopieerd.”

MANNEN MET VENTILERENDE KNIEHOLTEN

Bij Dennis Bergkamp moest het voetbal er dus aanvallend, avontuurlijk, vloeiend, ja zelfs kunstzinnig uitzien. Maar hoe zat het met zijn presentatie? Ogenschijnlijk besteedde hij veel minder aandacht aan zijn uiterlijk, enkele semi-modieuze fotosessies ten spijt.

Dat was deels schijn, want Bergkamp dartelde twintig jaar lang over de velden met een lik Vickx over zijn kniegewrichten. Pardon?

Dat zat zo. Weliswaar speelde de spiegel geen rol bij de wedstrijdvoorbereiding van Bergkamp, maar hij wilde er wel gestroomlijnd uitzien. De rode bies van de verder witte Ajax-kousen moest twee keer worden omgeslagen met daaronder een sokophouder van elastisch gaasverband. Bergkamp: “Dat koordje trok je weleens te strak aan en dan kreeg je kramp, in je knieholte.”

Maar verzorger Pim van Dord wist daar wel wat op: Vicks, dat gaf een lekker fris gevoel op de spieren. Bergkamp: “Het werkte en ik ben het blijven doen. Bij Arsenal zeiden ze in het begin: ‘Wat doe jij nou?’ Ik: ‘Prevention, geweldig spul om kramp te voorkomen.’ Ian Wright zei: ‘I want it as well.’ Henry ging het ook gebruiken, Vieira, nog meer jongens.” 

Met hun ventilerende knieholten vonden Bergkamp en Henry elkaar blindelings in het mooiste Arsenal-elftal ooit dat in 2004 ongeslagen de Premier League won. Bergkamp: “Alles liep zo gesmeerd toen. We leefden in de wolken. Behalve wanneer je vergeten was je vingers schoon te maken als je aan de Vicks had gezeten. Als je dan in de wedstrijd het zweet uit je ogen veegde, liep je meteen te janken.”

Lees ook
Reconstructie

Het wonderlijke relaas
van verzorger Jan Maas

Supersub Wim Kieft uit Amsterdam is voor altijd de man die met een curieuze kopbal de aanzet gaf tot Oranjes EK-winst in 1988. Verzorger Jan Maas uit Ven-Zelderheide schreef geschiedenis door tijdens het bekertreffen tussen N.E.C. en De Treffers in 2000 juist een doelpunt met zijn hoofd te voorkomen. Reconstructie van een van de meest bizarre voetbalacties ooit.
Beeldreportage

De vlucht van
scheidsrechter Pijper

Bij het grasduinen in de beeldbanken stuitten we op een aantal fascinerende foto’s van de wedstrijd NAC-Ajax uit september 1973. Of eigenlijk: van ná de wedstrijd, toen scheidsrechter Henk Pijper – die in de laatste seconden de 3-3 van NAC afkeurde – op de vlucht moest voor ontstemde NAC-fans. Kijk en verwonder uzelf (en let vooral op die politiehond en de ‘vluchtauto’, in allerijl gecharterd nadat de deur van een politiewagen niet open ging).
Rubriek

Shirtje kijken:
Airdrieonians FC

Grafisch ontwerper en voetbalshirtprofessor Floor Wesseling duikt voor SANTOS zo nu en dan een bijzonder shirt op uit zijn eindeloze verzameling. Dit keer een wel heel obscuur exemplaar, een oudje van de Schotse laagvlieger Airdrieonians FC. Het is misschien wel zijn lievelingsshirt, maar denk niet dat Wesseling het in zijn hoofd haalt ’m aan te trekken.
SANTOS #08: MESSI'S MISSIE

De laatste
komma

Het lukte dus niet. De missie van Messi nog eens wereldkampioen te worden, mislukte jammerlijk in Rusland. Al in de achtste finales. Andere M-en manifesteerden zich: Mbappé, Modric, Mandzukic, godbetert Maguire. Hartstikke mooi, gefeliciteerd met een knap toernooi. Doet dat iets af van aan de grootsheid van Lionel Messi? Nee, wat ons betreft niet.
Column

Stukje Stijl:
Rotterdamse haargeschiedenis

Kapsels en De Kuip zijn onmiskenbaar met elkaar vervlochten. Officieus Stijladviseur des Vaderlands laat zijn licht schijnen over de beste kapsels uit de historie van Feyenoord.
SANTOS #08: MESSI'S MISSIE

Frenkie de Jong, de grootste Messi-fan van de Eredivisie

Voor SANTOS #08, een eerbetoon aan Lionel Messi, gingen we op bezoek bij Frenkie de Jong (21), naast middenvelder van Ajax waarschijnlijk de grootste Messi-fan van de hele Eredivisie. Dat was op donderdag 26 april, toen van interesse van FC Barcelona nog niets bekend was. “Natuurlijk zou ik met Messi willen spelen. Hij is bijna 31. Ik moet opschieten, haha.”