Hij is een vriend van Van Swieten

Woord: Sjoerd Mossou
Gepost: 03-01-2020
Een goed spreekkoor is bij voorkeur droogkomisch, makkelijk mee te zingen en een tikkeltje infantiel. Het perfecte tribuneliedje ontstaat spontaan, het valt niet voor te koken of te regisseren. Sjoerd Mossou op zoek naar de ziel en rafelrandjes van het Nederlandse spreekkoor.

Beeld: Pim Ras
Eerder verschenen in SANTOS #05, december 2017.

Pe-ter Bosz en maandag ben je vrij,
Dinsdag ben je vrij,
En woensdag ben je vrij.
Pe-ter Bosz en donderdag ben je vrij,
Vrijdag ben je vrij,
En zaterdag ben je vrij.
Pe-ter Bosz en zondag ben je vrij,
Maandag ben je vrij.
(Enzovoort, en zo verder)

Het was november 2002, NAC stond met 0-2 voor tegen De Graafschap en op De Vijverberg was het ontslag van trainer Peter Bosz aanstaande. Mijn vrienden en ik snapten in het uitvak al snel: de kracht van dit liedje zat hem in de herhaling.

Je kon dit spreekkoortje tot het einde der tijden blijven zingen, want na zondag kwam maandag, en daarna dinsdag, en hoe langer we het aangepaste refreintje van Yellow Submarine bleven herhalen, minutenlang, des te droger het effect.

“Pe-ter Bosz en woensdag ben je vrij. Donderdag ben je vrij – en vrijdag ben je vrij.”

Na een dramatisch jaar als speler, een paar jaar eerder, was Bosz enorm impopulair bij NAC. Onderin het uitvak liep daarom inmiddels een driemanspolonaise voorbij, vrolijk zingend dat Peter Bosz voortaan niet alleen op donderdag vrij was, maar ook op vrijdag en op zaterdag.

Wat het spreekkoortje in retrospectief nog iets geslaagder maakte: De Graafschap won de wedstrijd na rust alsnog, met 3-2. Zul je altijd zien. Ons gezang stierf langzaam in schoonheid.

Peter Bosz behield toch nog zijn baan en de rest is – zoals dat zo mooi heet – geschiedenis. Vijftien jaar later haalde Bosz met Ajax op sensationele wijze een Europese finale.

Bakermat

Goede spreekkoren zijn in Nederland relatief zeldzaam, maar toch zijn er stiekem meer dan je zou denken. Zeker, de bakermat van het genre ligt onmiskenbaar in Engeland natuurlijk, waar ‘football chants’ onderdeel werden van het maatschappelijk erfgoed. Er zijn letterlijk boeken over volgeschreven, de lijst met geslaagde voorbeelden is er eindeloos, het ene nog briljanter dan het andere.

Het is niet overdreven te stellen dat het Engelse spreekkoor een afspiegeling vormt van de volksaard, rijk als de liedjes zijn aan ironie en (zelf)spot. Ze drijven deels ook op de rijke Engelse popcultuur; tal van spreekkoren vinden hun oorsprong in bekende melodieën, en niet alleen Engelse trouwens.

Van John Denver tot Gerry Marsden, van The White Stripes tot The Beatles; op Britse voetbaltribunes komt de halve popgeschiedenis voorbij. Deze bijvoorbeeld, gezongen door de Manchester United-supporters op de melodie van Norman Greenbaums Spirit in the Sky:

Going on up to the spirit sky
Itʼs where Iʼm gonna go when I die
When I die and they lay me to rest
Iʼm gonna go on a piss with Georgie Best

Of deze, van de fans van Aston Villa over hun van Liverpool overgenomen spits, naar de kerstklassieker Winter Wonderland:

Thereʼs only one Emile Heskey
One Emile Heskey.
He used to be shite
But now heʼs allright
Walkinʼ in the Heskey Wonderland

Het is verleidelijk je te verlekkeren aan die Engelsen, vooral omdat we er in Nederland niet aan kunnen tippen. Sterker nog: het volstrekt neutrale woord ‘spreekkoor’ heeft bij ons heel vaak een negatieve connotatie (geregeld hoor je stadionspeakers doodernstig vragen om “geen spreekkoren meer ten gehore te brengen”).

Maar wie alle humorloze rommel vol ziektes en oorlog buiten beschouwing laat, komt ook in Nederland best veel moois tegen. Bovenal Hi-Ha-Hondelul, geïnspireerd op de beroemde uitbarsting van voetballer Piet Romeijn, is een ijkpunt in het genre. Ons eerste echte spreekkoor. Een evergreen die al in de jaren zeventig op zo’n beetje elke voetbaltribune weerklonk.

Een decennium later had je Hij is een vriend van Van Swieten. Een tikje homofoob, maar ook best subtiel ironisch, en ontegenzeggelijk een klassieker. Later had je Say Oe Ah, Ed de Goey, en bij Ajax verbasterden ze het aloude De herdertjes lagen bij nachte in de jaren negentig tot een populair voetballied.

Meezinger

Maar wat maakt een spreekkoor tot een goed spreekkoor? Waarom hebben sommige tribuneliedjes eeuwigheidswaarde, en andere een liefdevolle cultstatus? Waarom sterven veel spreekkoren en zelfs melodieën na verloop van tijd weer uit, alsof het regelrechte modegrillen betreft (het aartsblije Olé, olé, olé, olé – We are the Champions hoor je al decennialang niet meer)?

In alle gevallen moet een tribunelied makkelijk zijn mee te zingen, uiteraard. Bij voorkeur heeft het iets droogkomisch, iets inventiefs, iets prikkelends, iets met een rafelrandje. Er klinkt een grap in door die je nog niet kende.

De exacte oorsprong van een spreekkoor is vrijwel nooit te herleiden, want spreekkoren ontstaan spontaan en organisch. Iemand roept halfdronken een zinnetje. Een buurman vult aan. Verderop pakt een groepje vrienden het liedje op, er wordt onderweg nog een half zinnetje toegevoegd – en langzaam wordt er een nieuwe meezinger geboren.

Toet toet boing boing, kappen en draaien,
Draaien en kappen, Eric Viscaal.
Pass in de diepte, schot in de kruising,
Ja dat is Eric, Eric Viscaal.

In Engeland werd ooit een wedstrijd uitgeschreven om lollige spreekkoren te verzinnen en in te sturen. Er zat niet één geslaagde inzending bij. Dat is misschien wel de belangrijkste eigenschap van een tribunelied: het wordt op de tribune geboren. Niet thuis op de bank of achter een laptop.

Er zijn tal van mild ironische odes aan spelers of clubhelden, gericht aan Kenny van der Weg (“Waarom gaat die jongen niet opzij? Ken-nie van de weg, van de weg”) of aan Young-pyo Lee (“Wij hebben Lee en jullie nie”).

Maar spreekkoren zijn niet zelden juist beledigend bedoeld. Ze dagen uit, schamperen, kleineren, treiteren. Dat maakt het lijntje vaak erg dun tussen smakeloos en geslaagd. Voetbaltribunes zijn doorgaans geen verzamelplaatsen voor moralisten. Supporterscultuur is rebels van aard, het schuurt soms hevig, en de humor op de staantribune is niet per se de humor van uw buurvrouw van zeventig.

In de jaren tachtig had je een populair liedje dat zo zwaar over the top was, dat je er met terugwerkende kracht ook om zou kunnen lachen. Er bestonden verschillende lokale varianten van. Die van Feyenoord ging zo:

Cheerio, cheerio
En in Rotterdam zingen we zo
Ajax moet dood en AZ moet kapot
En zondag, dan slaan we de treinen verrot

Het zijn teksten die tegenwoordig al snel tot een oorlog op de sociale media zouden leiden, en je ontkomt er domweg niet aan: smaken verschillen. Bij FC Twente hoorde ik ooit een compleet stadion een liedje zingen over de keeper en de trainer van tegenstander FC Utrecht. Het refreintje werd eindeloos herhaald:

Wapenaar, Wapenaar,
Neukte de vrouw van Adelaar.
Wapenaar, Wapenaar,
Neukte de vrouw van Adelaar
.

En dat minutenlang, tientallen keren achter elkaar. Zelfs op de eretribune zongen allerlei besnorde Tukkers uitbundig mee, stoïcijns meeklappend op de maat, en stilaan klonk het lied als een soort mantra.

Of er een kern van waarheid in het gezang schuilde, durf ik niet te zeggen. En dan nog is het een schan-da-li-ge tekst natuurlijk, foei! Maar sorry: mijn collega en ik kregen er de slappe lach van. Het liedje was zo fout, dat het na verloop van tijd vanzelf goed werd.

Hetzelfde kun je zeggen over De keeper van Den Haag, een populaire meezinger waarvan u de tekst maar op internet moet opzoeken, maar die betrekking had op een seksfilmpje van de toenmalige ADO Den Haag-keeper.

Eindhovense gewoonte

Je kunt niet ontkennen dat spreekkoren vaak flauw zijn, of infantiel zelfs. Maar een succesvol subgenre is doorgaans het ‘niet-zo-heel-beledigende spreekkoor’. Bij de eerste paar woorden vrees je een smakeloze belediging, maar die wordt net op tijd rechtgezet.

Pieter Huistra, je moeder is een Fries.

Sjaak Polak, je moeder is voor NAC.

Sylvie heeft een broer in Amsterdam!

Farfán, Farfán, je moeder is een man.

Het zijn geen briljante grappen, maar in de context van massale samenzang werkt het. Bij een goed spreekkoor moet je op de tribune aan de overkant vaak even goed luisteren. “Wat zingen ze nu precies?”, vraag je je af, om de tekst vervolgens samen met je buurman grinnikend in elkaar te puzzelen.

De keeper van Cambuur,
van Cambuur, van Cambuur
De keeper van Cambuur
die haalt zijn eten uit de muur
Dat is toch, dat is toch, dat is toch niet gezond
Dat zie je, dat zie je,
dat zie je aan zijn kont.

In spreekkoren valt soms nog een soort regiogebonden humor of volksaard te ontdekken. In Utrecht, Amsterdam of Rotterdam zijn spreekkoren geregeld snoeihard of zelfs vol van blinde haat, zeker over en weer, vooral weerklinkend in onderlinge ontmoetingen. Sommige voorbeelden zijn zo triest, dat je er droevig van wordt.

Grappiger is dan weer de Eindhovense gewoonte om tribuneteksten zo simpel mogelijk te houden. Theo Maassen refereerde in een sketch al eens aan het heerlijk fantasieloze ‘Eindhoveeuh, Eindhoveeuh, Eindhoveeuh!’, in de jaren negentig niet zelden het enige lied dat je überhaupt hoorde in het Philips Stadion.

Althans, voor Björn van der Doelen klonk in die tijd ook simpelweg ‘Doeleeuh, Doeleeuh’, gebaseerd op het beproefde concept van nog zo’n diepgravende tekst – ‘Boereeuh, Boereeuh’.

“Wij PSV’ers houden van eenvoud”, zegt PSV supporter Frank Lammers daarover. “Van doe maar gewoon. Wij vinden: je moet spreekkoren niet diepgravender maken dan strikt noodzakelijk.”

Eerlijk is eerlijk, PSV heeft sinds een aantal jaren ook één van de tekstueel betere tribuneliederen. Het zogenoemde heldenlied, waarin een reeks clubhelden en antihelden voorbij komt. “Oooh, Fritsje Philips, Luc-ie Nilis, Romáriooooooooooo.”

Want echte, al dan niet officieuze clubliedjes met volwaardige refreinen heb je uiteraard ook in Nederland. Liederen waarvan de tekst vaak wat dieper gaat dan alleen een leus of een kreet. In De Kuip kan Niets is sterker dan dat ene woord van Lee Towers prachtig, bijna melancholisch klinken. Bij Ajax hebben ze sinds een aantal jaren succesvol het stadslied Mijn stad van Danny de Munk afgestoft.

“Want Amsterdam is poep op de stoep – en haat in de straat”, klinkt het dan, vanaf de F-side.

Juist die liedjes hebben eeuwigheidswaarde, de meeste spreekkoren sterven na verloop van tijd weer uit. Omdat spelers of trainers komen en gaan, maar ook omdat ze domweg uit de mode raken. Op de staantribune zongen wij vroeger bij NAC: “Schop, schop, schop ze neer, schop die boeren neer.” Of: “Hij heeft een kop om op te schijten!” Wij vonden dat stoer destijds, maar je hoort ze nooit meer.

Oude spreekkoren kunnen een retrogevoel opwekken in de kroeg. Sommige zijn nog prima bruikbaar, maar ze zijn gewoonweg onbekend bij de jongere generatie, die weer hun eigen spontane volksliedjes verwekken. Het is onzin dat vroeger alles beter was, er duiken nog geregeld fijne vondsten op, maar de moderne Ultra-cultuur draagt niet per se bij aan de essentie van het spreekkoor zoals we dat kennen.

Zogenoemde ‘Ultra’s’ zingen veel, misschien nog wel meer dan voorheen gebeurde, maar het is een andersoortige samenzang, meer geïnspireerd op de Zuid-Amerikaanse fancultuur dan op de Engelse. Het gaat niet zozeer om een puntige, geinige tekst, maar veel meer om het oneindig blijven doorzingen, om de samenzang in meer melodieuze zin. De melodietjes zijn monotoon of juist best aanstekelijk, maar meestal zonder zelfspot of ironie.

Een goed spreekkoor leunt vaak op eenvoud, maar er zit ook een zekere twist in, in de beste gevallen met een knipoog naar de actualiteit. In de periode dat Dirk Scheringa steeds vaker in opspraak kwam met zijn DSB-imperium, wilde AZ graag Afonso Alves kopen, de topscorer van sc Heerenveen.

De onderhandelingen liepen keer op keer spaak, wat AZ-voorzitter Scheringa ook probeerde. Daarom werd er een heel simpel, maar doeltreffend spreekkoortje bedacht in Friesland. “Alves kopen? Lenen.nl!” klonk het vanaf de tribune, in de richting van het ereterras.

Genoten van dit verhaal? Overweeg dan eens supporter te worden van SANTOS, dan kunnen wij zulke verhalen blijven maken en krijg jij vier keer per jaar ons magazine thuisbezorgd. Klik hier om je aan te melden, krijg je er nog de nieuwste verhalenbundel van Wilfried de Jong bij ook.

Lees ook
SANTOS #13: De 25 schoonheden van het amateurvoetbal

Broodje
bal

Het broodje bal is de meest onderschatte snack uit de Nederlandse voetbalkantine, betoogt Sjoerd Mossou. Daarom graag uw aandacht voor de van het vet druipende gehaktbal en het zachte puntje van vijftien cent uit een doorschijnende zak. Eet smakelijk!
SANTOS #14: Engeland special

De keeper, de kopbal,
de redding, de hond
en de duik

Ze mogen zich voor van alles op de borst kloppen, maar de beste voetballer aller tijden komt niet uit Engeland. De beste doelman wellicht wel. Of in ieder geval: de keeper met de meest legendarische save(s) aller tijden. Wilfried de Jong over Gordon Banks (1937-2019), de doelman die net zo gemakkelijk een zwerfhond klemvast nam als een kopbal van Pelé uit zijn goal ranselde.
SANTOS #14: Engeland special

De meest eigenwijze club van Engeland

De kleine non-league club Lewes FC overleefde een bijna-faillissement en geldt tegenwoordig als een voorbeeld voor andere clubs. Hoe? Door alles nét even anders te doen dan de rest. “We zijn niet tegendraads om het tegendraads zijn. We willen gewoon het goede doen.”
SANTOS SPECIAL: 100 JAAR BEKERVOETBAL

Ooit winnen
wij ’m

Voor iedere supporter van een kleine club is de KNVB Beker de heilige graal, een obsessie, de ultieme beloning voor jarenlange trouw. Totdat je – zoals bijna altijd – roemloos wordt uitgeschakeld. Dan wil je er acuut niets meer van weten, van die verdomde beker. Een essay van Sjoerd Mossou.
SANTOS #11: HUP VROUWEN

Being
Hélène
Hendriks

Ze is geliefd in de voetbalwereld, FOX-verslaggeefster en Veronica-presentatrice Hélène Hendriks, zo blijkt tijdens een lange avond meelopen door Zwolle. Maar toch ook weer niet bij iedereen. “Als ik negatieve opmerkingen niet moeiteloos van me kon laten afglijden, zou ik echt een zwaar leven hebben.”
Reportage

Op pad met
lotingkoning
Heinrich Welling

Eigenlijk is Heinrich Welling competitieplanner en coördinator wedstrijdzaken bij de KNVB, maar Nederland kent hem als de snordragende ‘baas der balletjes’ tijdens bekerlotingen. Hij doet ze overal in het land, ook voor jeugdcups, ruim twintig keer per seizoen. “Roep het maar lekker hard, Mathijs!”