Losers zijn we, met zijn allen

Woord: Willem Vissers
Gepost: 25-02-2019
Al negen seizoenen ontbreken supporters van de bezoekende club tijdens De Klassieker tussen Ajax en Feyenoord. Volkskrant-journalist Willem Vissers is er klaar mee. “Het is vooral sneu voor het voetbal. Sneu ook voor ons land, een soort afgang zelfs.”

Beeld: Marco Magielse
Eerder verschenen in SANTOS #04, oktober 2017.

Stel nu dat de prachtige, bijna nationale verbondenheid die ontstond na het verschrikkelijke lot dat Abdelhak Nouri trof, bewaard zou blijven. Stel dus. Vrijwel iedereen leefde in juli 2017 mee met de vrolijke voetballer van Ajax, nadat hij op een veld in Oostenrijk in elkaar zakte en, een paar dagen later, zwaar hersenletsel was geconstateerd.

Aandoenlijk was de steun. Tranentrekkend, hoewel menig cynicus natuurlijk commentaar had. Op straat, in de kranten, op social media, overal waren gevoelige verhalen op te tekenen. Foto’s van de rouw in de straat bij Nouri zijn iconisch. Daar waar je soms het riool hoort ruisen, op social media, groeiden prachtige bloemen op de dorre akkers van supportershaat.

Terwijl profs van rivaliserende clubs al jarenlang goed met elkaar omgaan, hoewel ze dat soms goed verborgen weten te houden, verspreidden nu ook supporters hun liefde, hun aanhankelijkheid. Niet allemaal, maar toch een meerderheid. Ze leefden mee met Nouri, of ze nu van PSV waren, van AZ of van Feyenoord. Ze beeldden hartjes uit met hun vingers, ze toonden een bloem, ze spraken een wens uit, ze postten een lief briefje. Iedereen vindt Nouri immers aardig, iedereen is weleens bang voor het noodlot, iedereen kent wel iemand die iets vreselijks heeft meegemaakt. Nouri stond model voor de tragiek die we allemaal vrezen.

De voetbalwereld is een aparte biotoop. Soms heel hard van buiten, soms boterzacht van binnen.
Willem Vissers

Stel dat die liefde zich verspreidt. Stel dus. Niet voor één dag, maar voor altijd, of althans voor langere tijd. Wat zou dat mooi zijn. We zouden blijven treuren om Nouri, maar we zouden ook voor altijd kunnen blijven zeggen dat zijn lot ergens goed voor is geweest, hoe weinig hij daar zelf ook aan heeft. Stel dat hij een kentering teweegbracht in de voetbalhaat, in dat vaak zo onnozele, humorloze, overdreven gedrag van supportersgroepen. Dat eeuwige doen alsof een voetbalwedstrijd het belangrijkste is wat er bestaat, in plaats van een spel waarin de ene keer de een wint en de andere keer de ander. Supporter-zijn is immers ook een kwestie van verbondenheid, met aanhangers van dezelfde club. Waarom zou die verbondenheid niet breder kunnen zijn?

Nouri stimuleerde kortstondig het besef dat het beter is om gewoon te genieten, zolang het kan. Was hij tot zijn val niet de vleesgeworden lach, het genot, de speelsheid van het voetbal? Geniet dus, van een club, een voetballer, een vrouw op de tribune, een gedachte, een droom. Maakt niet uit. Besef dat het leven zo voorbij kan zijn, dat in een vingerknip een blakende, lonkende loopbaan in duigen kan vallen. Nouri appelleerde aan een universeel gevoel van angst voor het noodlot.

Vermoedelijk zal die eeuwige eenheid een illusie blijken. We kennen het verleden. De voetbalwereld is een aparte biotoop. Soms heel hard van buiten, vol machismo. Maar het voetbal kan in treffende eenheid treuren als iets vreselijks gebeurt, met gebaren, met indrukwekkende minuten stilte, speciale T-shirts, lawines aan berichten op social media. Van binnen is het voetbal soms boterzacht. Het voetbal kan op geweldige wijze bij elkaar op schoot kruipen als de ellende heeft toegeslagen. Het voetbal bidt dan samen, vindt elkaar in hoop en symboliek.

Wij, in voetballand Nederland, in ons welvarende land, kunnen het niet voor elkaar krijgen dat een paar duizend Amsterdammers in Rotterdam naar het voetballen gaan kijken, en een halfjaar later een paar duizend Rotterdammers in Amsterdam.
Willem Vissers

Velen vinden het heerlijk zo, van die wedstrijden zonder supporters van de bezoekende clubs. Dat zouden ze overal moeten doen, aanhang van de bezoekers mijden. Lekker rustig. Geen gezeik. Geen massale politie-inzet. En weet je, als verslaggever van de Volkskrant geniet ik zonder een vol uitvak niet minder van het voetbal zelf. Toch mis ik de mooie samenzang uit het bezoekersvak, de reacties op de andere partij, het gejoel, de uitdagingen van elkaar, de hatelijkheden, de inventieve spandoeken. Ik vind het vooral jammer dat het zo loopt zoals het is gelopen. Omdat de goeden lijden onder de kwaden.

Het is ook een beetje treurig en kinderachtig. Dat volwassen, of bijna volwassen, mannen en opgeschoten jongens alleen een geslaagde middag kunnen hebben als ze een beetje oorlogje kunnen spelen in vredestijd. De Klassieker hoort mijns inziens een wedstrijd te zijn met alles erop en eraan: met dramatiek, schitterende doelpunten, een zinderend scoreverloop, eindeloos stof tot napraten, en met twee supportersgroepen in het stadion. Al is het maar om die liederen, de humor, de angst bij de ene groep voor een dikke nederlaag, de euforie bij de andere kant, de pesterij, de opluchting.

Maar het kan dus blijkbaar niet meer. De burgemeesters Ahmed Aboutaleb (Rotterdam) en Job Cohen (destijds Amsterdam) waren het zat, in 2009. “Het is een klap voor de echte voetballiefhebber”, zei Aboutaleb na het besluit de bezoekregeling voor vijf jaar op te heffen. “Het zijn relschoppers die geen knip voor de neus waard zijn.”

Het was een optelsom. Het was steeds hommeles. Gevechten met ME, wangedrag in de trein. Liederen en beledigingen. Aanhang van Feyenoord scandeerde iets te vaak “Hamas, joden aan het gas”. Supporters van Ajax verheerlijkten het bombardement op Rotterdam in 1940. En bij dat verbale geweld kwamen alle fysieke bedreigingen, de vechtpartijen, de massale inzet van politie, de bijna traditioneel angstaanjagende ontvangst van de spelersbus van Ajax bij De Kuip, in een woud van opgestoken middelvingers. Het is vooral sneu voor het voetbal. Sneu ook voor ons land, een soort afgang zelfs. Wij, in voetballand Nederland, in ons welvarende land, kunnen het niet voor elkaar krijgen dat een paar duizend Amsterdammers in Rotterdam naar het voetballen gaan kijken, en een halfjaar later een paar duizend Rotterdammers in Amsterdam.

Losers zijn we, met zijn allen.

George Weah, wereldvoetballer van het jaar in 1995 en tegenwoordig president van Liberia, vroeg na mijn uitleg of hij even mocht slapen, zo vermoeid was hij van het verhaal over supporters in Nederland.
Willem Vissers

Ik zal nooit vergeten dat ik bij de voormalige Liberiaanse voetballer George Weah in de auto zat, op weg naar een lezing. Hij, wereldvoetballer van het jaar in 1995 en tegenwoordig zelfs president van het Afrikaanse land, was in de middag gast in een zaal in Nijmegen en ’s avonds in Amsterdam. We schrijven mei 2010. Het verbod op reislust van uitsupporters was pas een jaar oud. Maar nu speelden Ajax en Feyenoord de bekerfinale. De KNVB loste een onoverkomelijk probleem met hoge politiekosten van een verwachte megaoperatie in het vaste bekerfinalestadion, De Kuip, op door de eindstrijd in tweeën te knippen. Allebei een keer thuis. Zonder uitpubliek. Weah en ik hadden uren gesproken over de problematiek in Afrika, over armoede en andere basale zaken. Hij vond dat ik de problemen in Afrika overdreef. Althans, hij vermoedde dat bij ons ook wel iets aan de hand was. Hij wist alleen niet precies wat, toen hij al die welvaart zag. Hij had een dikke wang van een tandontsteking en prees de gezondheidszorg, want hij was op een zaterdag perfect geholpen. Maar wacht, hij zou wel ontdekken wat niet deugde bij ons.

“Kijk naar jezelf”, zei hij een paar keer. Hij ging tussen de lezingen door naar de wedstrijd in de ArenA, naar een van de twee finales dus. Hij was niet zo erg bezig met die wedstrijd, maar hij vroeg toch tussen neus en lippen door waarom die finale eigenlijk in tweeën moest. Wat is dat dan voor een rare finale? Dat hadden ze in het straatarme Liberia niet eens, zei hij spottend.

“Kun je me uitleggen wat er is gebeurd?” Na een lang verhaal zei hij: “Pffff, ik heb het je al verteld. Iedereen heeft problemen. Die zullen jullie moeten oplossen.”

Hij vroeg na mijn uitleg of hij even mocht slapen, zo vermoeid was hij van het verhaal over supporters in Nederland.

Dat lange verhaal ging dus over toenemende haat, over botsingen in de jaren zeventig, over twee grote clubs uit de grote steden, de grootste clubs van het land, de clubs met het meeste succes door de jaren heen. De ene club, Ajax, had na een achterstand in succes opeens afstand genomen op de andere club, Feyenoord, die naarstig probeerde te volgen. Humor groeide tot haat. De dieptepunten waren talrijk, of het nu ging om de sneeuwbal op het oog van tijdelijk Ajacied Wim Jansen (jarenlang Feyenoorder geweest), of om het tragische ijkpunt in maart 1997, met de dood van Carlo Picornie, afgeslacht tijdens een georganiseerde vechtpartij in een weiland bij Beverwijk. Picornie was een hooligan, maar ook een man met vrienden, met familie. Ik herinner me de ontreddering, diezelfde dag, toen Ajax in Waalwijk tegen RKC speelde. Dat iedereen min of meer op een uitbarsting van geweld rekende. Maar dat het sindsdien altijd gewapende vrede bleef. Of latente oorlog. Het is maar hoe je het bekijkt.

Leve de spot. De zelfspot vooral.
Willem Vissers

De dieptepunten regen zich aaneen. Robin van Persie werd op De Toekomst aangevallen door supporters van Ajax, toen hij op weg was naar de kleedkamer. Al die escalaties, al die zinloosheid, de borrelende woede. Als ik tegenwoordig weleens mijn liefde voor vrouwenvoetbal bezing en menig lacher ontmoet, kom ik altijd met de supporters op de proppen. Ja, die zijn vrij saai. Gezinnen met schattige kindjes. Maar als ik dan een dag later weer die supporters tekeer zie gaan bij mannenwedstrijden, verlang ik intens naar saaiheid. Het moet toch op een normale manier kunnen? Want het mooie van voetbal is juist die spanning tussen teams, tussen supportersgroepen. Op een leuke, aardige, desnoods hatelijke manier. Op het randje. Want bij voetbal hoort een scherp randje. Dat ze zingen, zo origineel dat de lach doorbreekt, zelfs bij degenen die bespottelijk worden gemaakt. Dat ze over en weer teksten verzinnen die op de rand zijn en soms een beetje daarover, maar niet te veel. Leve de spot. De zelfspot vooral.

Het gevoel zegt: nooit meer doen, die supporters toelaten in elkaars stadion. Maar het hart kan daarmee geen vrede hebben.
Willem Vissers

Eens sprak ik met Ajax-supporter Joark, God hebbe zijn ziel, over de problematiek. Het was kort voor De Klassieker. Het was nog in de tijd dat supporters naar elkaars uitwedstrijden mochten. Hij vroeg me naar de parkeerplaats bij De Meer te komen, in de buurt van het vaste bloemenstalletje. Ik vergat mijn auto af te sluiten en wilde even vijftig meter teruglopen. “Hoeft niet”, zei Joark, die ik verder best sympathiek vond, en die prachtig kon vertellen. “Als we iemand bij je auto zien die iets verkeerds doet, slaan we hem helemaal in elkaar.” Ik antwoordde dat het niet zo mijn ding was, iemand in elkaar slaan, maar dan moest het maar zonder mij, als het nodig was. Hij sprak over de verzengende commercie in voetbal die supporters soms tot diep in de ziel beledigde. Hij sprak over gevechten, hij sprak over koketteren met het jodendom. Als je hem hoorde praten, wist je eigenlijk dat het nooit helemaal goed kon komen tussen de supportersgroepen van Feyenoord en Ajax. De harde kern haat elkaar. En telkens staan nieuwe generaties hooligans op, met andere middelen en gewoonten. Soms weten ze nauwelijks wat ze doen, door drank- en drugsgebruik.

Dat is allemaal waar. Dus het gevoel zegt: nooit meer doen, die supporters toelaten in elkaars stadion. Maar het hart kan daarmee geen vrede hebben. Het is een nederlaag. Voor het supporterdom. Voor normaal gedrag. Misschien is het weer eens te proberen. Officieel loopt het verbod nog tot 2020. Het is maar zijdelings een zaak van de clubs, het is vooral een zaak van de zogenoemde driehoek van burgemeester, justitie en politie. Kan het nou niet anders, met de Voetbalwet in de achterzak? Wie zich slecht gedraagt, krijgt een stadionverbod met meldingsplicht. Probeer het gewoon. Feyenoord is in 2017 kampioen geworden, voor het eerst in achttien jaar. De frustratie is niet meer zo groot. Feyenoord zou, met die titel in het achterhoofd, heerlijk achterover kunnen leunen.

Of denk aan Nouri, aan de verbondenheid van juli 2017. Aan de breekbaarheid van het leven. Aan de mogelijkheid om met elkaar te leven. Niet tegen elkaar.

Kun je geen genoeg krijgen van De Klassieker? Bestel dan snel SANTOS #04, geheel en al in teken van de mooiste en meest beladen voetbalwedstrijd van Nederland.
Lees ook
SANTOS #10: Voetbalreisgids

Tien tips
voor de ideale
voetbaltrip

Nu het nieuwe voetbalseizoen in alle hevigheid is losgebarsten en de Nederlandse ploegen in Europa hun tegenstanders kennen, kunnen de voetbaltripjes weer worden geboekt. De redactie van SANTOS geeft reisadvies.
SANTOS #04: DE KLASSIEKER

Mulder bemint:
Mladen Ramljak

De Joegoslaaf Mladen Ramljak, afgestudeerd econoom én vooraanstaand lid van het ‘Genootschap der Scheermessen’, won met Feyenoord de landstitel en de UEFA Cup. Het is vandaag 40 jaar geleden dat hij overleed. Jan Mulder haalt herinneringen op.
SANTOS #13: De 25 schoonheden van het amateurvoetbal

Kantines,
cornervlaggen
en kleedkamergeluk

In SANTOS #13 belijden we onze liefde voor amateurvoetbal. Inderdaad, net als in een eerdere SANTOS, maar toch weer op een andere manier. Omdat het zo’n ongelooflijk rijk onderwerp is, en omdat het je zo heerlijk terugbrengt naar de essentie: naar voetbal omdat het leuk is. Naar voetbal als een sociaalcultureel fenomeen ook.
Reportage

Lachen
Gieren
Gullit

Van Qatar naar Hilversum, van Varkenoord naar Miami, en terug via Rome en Schotland. Ruud Gullit leidt een fascinerend bestaan, vrolijk slalommend tussen de hoogte- en dieptepunten van zijn leven. Een weekend lang in het spoor van de nimmer verwelkende Zwarte Tulp. “Ik zie het zo: als ik niet naar links kan, dan ga ik maar naar rechts.”
Binnendoor

Björn van
der Doelen

​“Mark van Bommel kon de hele dag over voetbal praten. Ik keek niet eens de samenvattingen van mijn eigen wedstrijden, ging liever een beetje pielen met mijn gitaar.”
Overig

Ciao, Marco

Zijn afscheid in San Siro op 18 augustus 1995 voelde zo ongelooflijk, dat de toen zestienjarige Sjoerd Mossou besloot het niet te geloven. Marco van Basten was zijn held, en helden stopten niet. Hij was pas dertig, godverdomme.