Moulijn en Keizer in een roeiboot

Woord: Wilfried de Jong
Gepost: 08-02-2019
Wilfried de Jong brengt in SANTOS geregeld een ode aan een overleden voetballer door hem voor een dag terug te halen op aarde. Voor ons themanummer over De Klassieker waren het er twee: de linksbenige publieksspelers van Ajax en Feyenoord, Piet Keizer en Coen Moulijn.

Beeld: Mirjam Riemens/Studio Vonq
Eerder verschenen in SANTOS #04, oktober 2017.

Zonder om te kijken roeide Piet Keizer met forse slagen over de Amstel. Op de bodem van het gehuurde bootje lagen twee eenvoudige hengels van bamboe. Het visdraad was eromheen gedraaid, de haken zaten in een kurk geduwd. Tussen zijn voeten stond een plastic emmertje; in een laagje grond krioelden wormen.

Op het bankje tegenover Keizer zat Coen Moulijn. Hij droeg een ouderwets pak van Engelse makelij uit zijn modewinkel aan de Langenhorst 253 op Rotterdam-Zuid, waar hij tijdens zijn voetbalcarrière bij Feyenoord in de vrije uurtjes klanten hielp.

Voor het eerst keek Keizer om en liet alleen zijn rechterarm het werk doen. De punt van de roeiboot ging naar links en dreef even later langzaam langs de statige huizen van de Nicolaas Witsenkade.

“Hier zat vroeger veel bliek en brasem, kijken of het nog zo is”, zei Keizer terwijl hij met een handige beweging een touw vastmaakte aan de kade, schuin tegenover de Heineken Brouwerij.

“Piet, ik heb nog nooit een visje durven eten uit de Maas. Die beesten zitten allemaal vol met havenslib.”

“We gaan ze ook niet eten. Het gaat om het niksen. Ik vond het vroeger altijd heerlijk, vissen in een heel stille omgeving, alleen of met zijn tweeën eropuit gaan. ’s Morgens met de schemer van huis, brood mee, zodat je zo lang mogelijk kon wegblijven. En dan de hele dag niet veel praten.”

Moulijn wreef in zijn handen en keek uit over het donkere water. Zelf had hij zijn laatste levensjaren aan de Maas gewoond, met zijn lieve vrouw Adrie. Ze hadden een mooi uitzicht over de rivier, over de Willemsbrug en Rotterdam-Zuid. “Wat een drukte hier op straat. Allemaal mensen met rolkoffers. Als ik ging trainen, droeg ik gewoon zo’n zwarte sporttas aan een paar hengsels. Niks wieltjes.”

Keizer prikte een verse worm aan de haak en wierp zijn dobber in het water. “Coen, wij deden alles nog zelf, toch? Schoenen poetsen, tenue wassen.”

Moulijn liet zijn hengel op de bodem van de boot liggen. “Smerig, die wormen als aas. Geef mij maar een potje dammen. Tijdens mijn carrière kwam ik elke zondagochtend voor de wedstrijd bij mijn ome Leen Everse. Ik speelde nooit met iemand anders. Dan gingen we zitten, schuiven en denken. We praatten nooit over voetbal.”

Keizer zei niets en staarde naar zijn dobber. Piet was niet zo’n makkelijke prater, wist Coen nog van vroeger. Ze waren elkaars concurrenten als linksbuitenspelers bij het Nederlands elftal, al speelden ze een paar keer samen. “Net als bij mij liepen de meningen over jou flink uiteen. Dat kwam door de onevenwichtigheid in je spel. Jij was, net als ik, nogal grillig van karakter en kwaliteit, als ik het zo mag zeggen.”

Zonder te reageren trok Keizer zijn dobber uit het water, bekeek de halfdode wurm aan de haak en gooide alles weer achteloos terug.

Er kwamen drie rondvaartboten vlak achter elkaar voorbij. Het gaf zo veel golfslag, dat Keizer en Moulijn de rand van hun bootje moesten beethouden om niet om te vallen. Het water klotste tegen de kade. Spetters op het pak van Coen. Hij wiste het met zijn rechterhand af. Keizer zag het.
“Hé, met rechts? Ik dacht dat jij stijf links was, Coen.”
“Ik was met alles rechts, behalve met voetbal.”

Keizer zocht naar zijn dobber, die door de golven een heel eind van de boot was afgedreven. Hij trok het vistuig weer naar zich toe. Moulijn keek stiekem naar de diepliggende ogen. Keizer, dat was een bijzondere kerel. Heel anders dan hij. Groot, hoekig, stram, hoge schouders, armen iets van het bovenlijf, ogen diep in de kassen, stug haar dat niet naar de kam wilde luisteren.

Op het veld wist je het nooit met Keizer. Die Nico Scheepmaker had er ooit eens een mooie zin over geschreven:

Piet Keizer is sinds lang een synoniem
Voor genialiteit, en balverlies

“Beet”, zei Keizer.

Moulijn keek naar de kringen rond de dobber.

“Een brasem denk ik”, fluisterde Keizer.

Terwijl Moulijn zijn broekspijpen iets optrok om te voorkomen dat er knietjes in de fijne stof van zijn pantalon kwamen, draaide Keizer zich zichtbaar geërgerd om naar een stel lawaaiige toeristen: “Quiet, you fools.”

De dobber lag weer stil.

“Hij is vertrokken”, zei Keizer.

Chagrijnig haalde hij de hengel omhoog. Er zat geen worm meer aan de haak. Hij pakte een nieuwe uit de emmer, stak het puntje door het tegenstribbelende lijf en gooide weer uit. Er dreef een verpakking van een Big Mac langs de dobber.

“Schiet jij in de hemel nog weleens tegen een bal”, vroeg Moulijn opeens.

“De hemel? Haha. Misschien zit ik wel in de hel; ik heb genoeg ruzie gemaakt met trainers en bestuurders. Nee, ik heb nooit meer de behoefte gehad om te voetballen. Stel, ik sta te kijken en de bal rolt in mijn richting over de zijlijn, dan doe ik een stap opzij.”

“Dat heb ik nou ook”, zegt Moulijn. “Ik was opgelucht toen ik stopte. Ik realiseerde me plotseling: je hoeft nooit meer te presteren, Coen. Nooit meer die druk, dat was een enorme opluchting. Alleen, ik was financieel niet onafhankelijk.”

Keizer knikte. Hij snapte Moulijn wel. Als zij nu bij Ajax en Feyenoord hadden gespeeld, was het salaris hoog geweest. En misschien was hij dan wel ingegaan op buitenlandse transfers en had Coen werk gemaakt van die mooie aanbieding uit Barcelona in de jaren zestig.

Weet je dat ze ooit nog een opera over mij wilden maken in Rotterdam? Serieus waar.
Coen Moulijn

Er klonk laag gedreun over het water. Er kwam een overvolle sloep aan met alleen mannen aan boord. De helft droeg een Ajax-shirt, de rest had een ontbloot bovenlijf vol tattoos. Ze dansten mee op de harde beat en zwaaiden ondertussen naar de twee oude mannen in hun visbootje.

Keizer en Moulijn, het zei ze vermoedelijk niets meer. “Klaar!”, zei Keizer. Hij trok zijn dobber omhoog, gooide de hengel op de bodem en begon het touw aan de kade los te maken. Moulijn schrok een beetje van de actie.

“Rustig aan, Piet. Denk aan je hart.”

“Mijn Ajax-hart blijft toch wel kloppen. En mijn echte hart heeft het al lang begeven. We gaan roeien. Ieder een riem. Links of rechts?”

“Ik zei net toch dat ik rechtshandig was?”

“Gaan we dollen, Coen?”

“Nee, nee...”

Moulijn ging naast Keizer zitten. Precies tegelijk trokken ze aan de riemen. De punt van de boot kwam omhoog door de kracht. Moulijn leefde meteen op van de lichaamsbeweging. De huizen van de Nicolaas Witsenkade verdwenen uit zicht. Ze kwamen in volle vaart op de Amstel uit. Rechts van Moulijn gleed Carré voorbij.

“Weet je dat ze ooit nog een opera over mij wilden maken in Rotterdam? Serieus waar.”

“In De Meer zaten allemaal artiesten en kunstenaars op de tribune naar me te kijken. Ken je Mensje van Keulen?”

“Mensje wat?”

“Ze schreef een gedicht. Het gaat zo:”

Keizer hield even op met roeien en keek omhoog.

Die ene keer
Waarin hij voorbeeldig, als een God onbewogen
Met een gebaar zo perfect
Het shortje over een slipje trekt:
Piet Keizer, Piet Keizer, Piet Keizer

Keizer keek met een lichte grijns opzij en roeide weer verder.

“Leg eens uit”, zei Moulijn en hij trok zijn broekspijpen nog maar een keer omhoog.

“Het is wat het is”, zei Keizer.

“Oké, oké.”

Het was druk op de Amstel met allerlei bootjes. Moulijn moest terugdenken aan de zegetocht van Oranje door de grachten in 1988. En aan de verloren finale van 1974. Moulijn was er al niet meer bij. Keizer wel. Tijdens de finale zat hij op de bank naast trainer Michels, die op links de voorkeur gaf aan de geblesseerde slangenmens Robbie Rensenbrink. Michels en Keizer waren al een tijdje gebrouilleerd met elkaar. In de rust kon Rensenbrink niet door. Keizer dacht te mogen invallen. Tot hij twee woorden hoorde uit de mond van Michels: “René, omkleden!” René was René van de Kerkhof. Keizer zei niets, deed zijn schoenen uit, is gaan douchen en heeft zich aangekleed.

Moulijn begon maar niet over dat pijnlijke moment.

Door het roeien in hoog tempo waren ze inmiddels aan de rand van Amsterdam beland. Keizer gebaarde dat ze naar de kant moesten varen. Even later stokte de punt in een rietkraag. Keizer sprong aan land en stak daarna genereus zijn linkerhand uit om Moulijn uit de boot te helpen.

“We laten die kloteschuit gewoon liggen. Hier verderop zit volgens mij een goede autodealer.”

Ze liepen een slingerpad af en inderdaad, boven op het talud verscheen een glazen gebouw met allerlei spiksplinternieuwe auto’s in de showroom. Keizer en Moulijn liepen naar binnen. Er kwam een oude autoverkoper op het duo af.

“Nee, het is niet waar!”, riep de man. “Pietje, Pietje Keizer. Mijn grote held.” Hij pakte zijn mobieltje, ging naast de oud-Ajacied staan en maakte een selfie. Keizer maakte handig van de gelegenheid gebruik.

“Luister, Coen en ik zijn maar een paar uurtjes terug op aarde. Kunnen we een proefritje doen met een aardig karretje?”

“Coen? Coentje Moulijn? De echte? Dat meen je niet. Ik heb een broer op Katendrecht wonen, in de Tolhuislaan. Wacht, snel nog een fotootje, meneer Moulijn.”

Klik.

Send.

“Natuurlijk mogen jullie een ritje maken. Wat willen jullie? De nieuwste BMW, een Benz, een snelle Japanner, een Volvo?”

De man liep weg van de twee en verdween tussen de nieuwe modellen. Keizer keek rond met een twinkeling in zijn ogen. Moulijn had hem de hele dag nog niet zo opgetogen gezien.

“Wat is er?”

“Ik ben in mijn Ajax-tijd altijd een sentimentele autorijder geweest. Ik ga aan dat stuk metaal hechten. Het deelt lief en leed met je. Ja, ik weet het, het is overdreven. Maar als ik een auto die mij trouw heeft gediend, moet wegdoen, is het alsof ik afscheid neem van een kameraad. Dan klop ik ’m even op de motorkap en zeg: ‘Bedankt, ouwe jongen.’ ”

“Van mijn eerste voetbalsalaris bij Feyenoord heb ik een Austin Cambridge gekocht. Lilakleurig. Kostte toen 5.700 gulden. Hij stond bij ons voor in de Bloklandstraat. Normaal werd daar dag en nacht op straat gevoetbald, maar dat mocht opeens niet meer van mijn vader. Hij was zo trots, het was de enige wagen in de straat.”

Er klonk een claxon. De autoverkoper stond buiten naast een gitzwarte bolide.

“Een Tesla Model S. Accelereert van nul tot honderd kilometer per uur in slechts 2,7 seconden.”

“Zo’n beetje zoals ik vroeger langs de zijlijn dus”, blufte Moulijn.

“Laat Sjaak Swart het maar niet horen”, zei Keizer.

Hij griste de sleutel uit de handen van de dealer en stapte in. Moulijn nam de andere deur. Keizer startte, maar hoorde de motor niet snorren. Hij keek door het glas naar het verhitte gezicht van de man. Hij stak zijn duim omhoog: “Elektrisch!”

“Een echte wagen rijdt op benzine”, zei Moulijn.

In de grond heb ik altijd het idee gehad dat de schaar misschien wel uit onkunde is ontstaan.
Piet Keizer

Op de ring gaf Keizer vol gas. Ze stoven op de linkerbaan iedereen voorbij.

“Wat vind je van Younes op links bij Ajax?”, vroeg Moulijn.

“Handig. Goede dribbelaar. Scoren valt nog niet mee. Jij was beter, Coen. Die eerste meters van jou, weergaloos. Wie speelt er tegenwoordig bij Feyenoord op links?”

“Boëtius. Leuke, onbevangen jongen uit de jeugd, een soort hinde. Hij moet nog uitzoeken wanneer hij wel of juist niet passeert. Jij was beter, Piet. Met die geweldige schaarbeweging.”

“Weet je dat ik die schaar als junior afgekeken heb van Willy Schmidt, die toen voor Ajax speelde? Het meest effectief is de schaar op hoge snelheid. In de grond heb ik altijd het idee gehad dat de schaar misschien wel uit onkunde is ontstaan. Het heeft alles met balans te maken. Tegenwoordig is de schaar een soort voorgerecht geworden.”

Keizer stuurde de punt van de wagen naar rechts, weer snel naar links en raasde langs een auto.

“Gepasseerd!”

“Schrok me rot, Piet!”

“Je bent altijd een beetje angstig geweest. Voor vliegen bijvoorbeeld, net als ik.”

Zonder te praten reden Keizer en Moulijn de hele ring rond Amsterdam. Twee keer zelfs. Daarna sloeg Keizer af, bij Diemen. Hij reed door naar station Bijlmer.

“Dit doe je me toch niet aan, Piet? Uitzicht op de ArenA?”

“Neem hier lekker de trein naar Rotterdam. Nog een paar uurtjes in je lievelingsstad.”

“Als ik de Euromast niet kan zien, word ik misselijk.”

“Grapjas.”

“Wat wordt het, de komende Klassieker in De Kuip?”, vroeg Keizer.

“Ik hou het op 1-1.”

“Ik denk 0-2, voor Ajax dus.”

“Arrogante Amsterdammer!”

“Ik hou van je, Coen.”

“Het is goed, Piet. Wie weet zien we elkaar boven.”

Moulijn stapte uit en zocht naar de ingang van het treinstation. Toen hij omkeek, was de zwarte auto al weg. Keizer was, geheel in stijl, elektrisch en onhoorbaar verdwenen.

Veel quotes zijn gebaseerd op eerdere uitspraken van Coen Moulijn en Piet Keizer, in Vrij Nederland (interview Barend en Van Dorp, december 1982) en de boeken Coen Moulijn vertelt...(Ger Bestebreurtje, 1971) en Coen Moulijn (De Buitenspelers/VI International, 2009) en Sportspiegel (Cor Dokter).

Lees ook
Reconstructie

De dag dat filmster
Jayne Mansfield
Het Kasteel veroverde

Uit het niets stond ze daar op het veld, Jayne Mansfield, de Amerikaanse seksbom, voorafgaand aan de Eredivisiewedstrijd Sparta-DOS in 1957. Het had nogal wat impact op Het Kasteel, vooral op vedette Rinus ‘De Rots’ Terlouw.
SANTOS #04: DE KLASSIEKER

Gaston
Taument

“Ik train meerdere teams, maar het liefst zou ik alleen techniektraining geven aan de allerkleinsten. Die het voetbal nog aan het ontdekken zijn, die staan te stampvoeten als de training niet doorgaat door de regen, die vol trots vertellen over hun doelpuntjes in het weekeinde. Geen contractgedoe, geen zaakwaarnemers of scouts van Engelse clubs met tassen geld eromheen. Dat is de essentie. Dat is geweldig.”
Overig

Ciao, Marco

Zijn afscheid in San Siro op 18 augustus 1995 voelde zo ongelooflijk, dat de toen zestienjarige Sjoerd Mossou besloot het niet te geloven. Marco van Basten was zijn held, en helden stopten niet. Hij was pas dertig, godverdomme.
Beeldreportage

De vlucht van
scheidsrechter Pijper

Bij het grasduinen in de beeldbanken stuitten we op een aantal fascinerende foto’s van de wedstrijd NAC-Ajax van 16 september 1973. Of eigenlijk: van ná de wedstrijd, toen scheidsrechter Henk Pijper – die in de laatste seconden de 3-3 van NAC afkeurde – op de vlucht moest voor ontstemde NAC-supporters. Kijk en verwonder uzelf (en let vooral op die politiehond en de ‘vluchtauto’, in allerijl gecharterd nadat de deur van een politiewagen niet open ging).
SANTOS #10: Voetbalreisgids

Tien tips
voor de ideale
voetbaltrip

Nu het nieuwe voetbalseizoen in alle hevigheid is losgebarsten en de Nederlandse ploegen in Europa hun tegenstanders kennen, kunnen de voetbaltripjes weer worden geboekt. De redactie van SANTOS geeft reisadvies.
SANTOS #11: HUP VROUWEN

Retro
Jackie

SANTOS houdt van nu, maar ook heel erg van vroeger. Dus toen we een nummer gingen maken over vrouwen en voetbal, leek het ons tof om een OranjeLeeuwin te hijsen in onze favoriete voetbalshirts van weleer. En wie konden we daarvoor nu beter vragen dan Jackie Groenen, de spelbepaler van het Nederlands elftal met een voorliefde voor al wat retro is?