Ooit winnen wij ’m

Woord: Sjoerd Mossou
Gepost: 29-10-2019
Voor iedere supporter van een kleine club is de KNVB Beker de heilige graal, een obsessie, de ultieme beloning voor jarenlange trouw. Totdat je – zoals bijna altijd – roemloos wordt uitgeschakeld. Dan wil je er acuut niets meer van weten, van die verdomde beker. Een essay van Sjoerd Mossou.

Beeld: ANP
Eerder verschenen in SANTOS #07, april 2018.

De KNVB Beker is maar een raar ding. Ik kan zo snel geen prijs bedenken die een diepere hunkering losmaakt dan juist deze, hoe klein of onbelangrijk misschien ook van een afstandje gezien. Het is de beker die je als supporter van een kleine Nederlandse club zo oneindig graag wilt winnen, dat je er – bij wijze van spreken – een linkerledemaat voor zou afstaan.

Wij dromen nu eenmaal niet van landstitels en Europacups. Voor ons trouwe honden is de KNVB Beker de enige prijs die we reëel gezien ooit kunnen winnen. Het is de enige tastbare prijs voor vrijwel iedere club in Nederland, behalve dan voor de klassieke top drie. Niks troostprijs. Goedbeschouwd is het de enige prijs die er bestaat.

Zo’n volksverhuizing naar De Kuip; daar leef je wel zo’n beetje voor als supporter van een kleine club. Die onvergetelijk bonte stoet van sc Heerenveen in 1993; mijn vrienden en ik ervoeren het als een jaloersmakende gebeurtenis. Het was in mijn herinnering allemaal live op de televisie. De Friese bussen reden eindeloos het land door, in één lange optocht. Dát, zo’n heerlijke dag, dat wilden wij ook. Een beloning voor al het lijden, voor al die degradaties en kansloze nederlagen en bijna-faillissementen.

Een heilige graal.

In gedachten was ik niet in West-Londen, maar in Enschede, waar NAC exact één stap verwijderd was van de eerste bekerfinale sinds 1974.
Sjoerd Mossou

Mijn meest zenuwslopende, meest intense bekermoment beleefde ik op een verlaten metrostationnetje in West-Londen, in het donker, met twee van die oude, gare Nokia-telefoons aan mijn oren.

Het was 16 maart 2004, mijn clubje NAC speelde honderden kilometers verderop tegen FC Twente, in de halve finale van het bekertoernooi. Mobiel internet bestond nog niet of nauwelijks. Op de ene Nokia-wegwerptelefoon had ik verbinding met mijn kameraad Joost, live vanuit het uitvak in Enschede, bijna onverstaanbaar.

Op de andere Nokia-wegwerptelefoon had ik mijn moeder aan de lijn, nagelbijtend voor de televisie met mijn vader, die van pure stress en ellende geen woord meer kon uitbrengen. Op zich best een goede verbinding, maar met enkele seconden vertraging.

Ik was net naar Queens Park Rangers tegen Barnsley geweest, vlak bij huis – ik woonde in Londen destijds – maar van dat slaperige potje op Loftus Road had ik amper iets meegekregen. In gedachten was ik slechts in Enschede, waar NAC exact één stap verwijderd was van de eerste bekerfinale sinds 1973 (glorieus gewonnen) en 1974 (kansloos verloren). Wedstrijden uit een tijd die ik alleen van foto’s ken. Mijn ouders hadden elkaar kort daarvoor ontmoet, dat wel, maar voortplanting was nog geen serieus thema.

Mijn moeder gaf dapper verslag, maar ze is geen Theo Reitsma (‘Oooeeeeeeh Boukhari! Och gottegot lieve jongen toch wat een kans!’).
Sjoerd Mossou

Enfin, eenmaal aangekomen op het metrostationnetje White City was de verlenging in Enschede net begonnen. Zaak was om vooral niet in de metro te stappen, want iets verderop ging de trein ondergronds – en dan is abrupt je verbinding weg. Voor alle zekerheid belde ik op het perron met mijn beide telefoons; dan maar een hoge rekening.

Erg zinvol en doelgericht was de dubbele telefoonverbinding niet. Wat ik hoorde was vooral gegil in stereo. Kreten van wanhoop. Flarden wedstrijd. Een oerbrul. Mijn moeder gaf dapper verslag, maar ze is geen Theo Reitsma (“Oooeeeeeeh Boukhari! Och gottegot lieve jongen toch wat een kans!”).

De penaltyreeks was even later ondraaglijk in al zijn spanning. De stiltes. De namen. De kreten. Het wachten. Het hopen. IJsberend struinde ik over het perron. Toen FC Twente-keeper Cees Paauwe de beslissende strafschop stopte, was er nog amper iemand op het perron.

Joost en mijn vrienden vloekten en godverden en tierden. Mijn moeders woorden weet ik nog letterlijk, op een moment dat ik al besefte dat het voorbij was: “O nee hè. Hij is mis. Hè toch wat jammer.”

Hè toch wat jammer. Sterker, het was om wanhopig, verdrietig en depressief van te worden. NAC had in de rondes hiervoor niet alleen Ajax uitgeschakeld in de ArenA, maar ook PSV in het Philips Stadion. In Enschede was het duidelijk beter geweest, Boukhari miste in de verlenging letterlijk voor open doel.

NAC haalde in die jaren sowieso bijna consequent de halve finale van het bekertoernooi. Altijd, echt altijd, lootte het dan een uitwedstrijd, meestal de zwaarst mogelijke – en nooit leidde het tot een plek in de finale.

Nooit maakte mijn generatie een Bredase volksverhuizing mee zoals mijn ouders in 1973, want die hadden gemakkelijk praten: zij waren er tenminste bij toen NAC met 2-0 van N.E.C. won. Wij niet. Wij zagen honderden wedstrijden van NAC, in elke verdomde uithoek van het land, maar nooit een bekerfinale.

Elke denkbare club van vergelijkbaar formaat haalde deze eeuw wel een bekerfinale, of het nou Willem II was of Heracles, Roda JC of FC Utrecht, FC Groningen of PEC Zwolle. Alleen NAC niet.

Lekker belangrijk dat Ajax of PSV zijn neus ophaalt voor de KNVB Beker. Het Nederlandse voetbal is zo veel rijker dan de top alleen.
Sjoerd Mossou

Dat leidde tot een Bredase obsessie, tot een gevoel van haast onverteerbaar onrecht, daar kunnen we eerlijk over zijn. Maar het rare is: die obsessie steekt alleen op gezette tijden de kop op. De frustratie is niet alomtegenwoordig. Integendeel.

De KNVB Beker heeft namelijk zijn schizofrene kanten: het ene seizoen is het de belangrijkste prijs ter wereld, het volgende seizoen zal het hele toernooi je aan de reet roesten. De winnaar ben je één dag na de finale alweer vergeten. De roemloze uitschakeling van je eigen cluppie in pakweg september kun je je nog amper herinneren: Tegen wie was dat ook alweer?

Probeert u de laatste vier bekerfinales eens op te noemen, zonder Google. Lukt u niet, tenzij u een freak bent, want bekerfinales nestelen zich niet al te stevig in ons geheugen. Als je er zelf geen deel van uitmaakt, is het als een lui tussendoortje, een wedstrijd waar je langs zapt, of die je kort na de prijsuitreiking alweer bent vergeten.

Zodra je eruit ligt, kan die hele beker je gestolen worden. Tot het nieuwe seizoen althans, want dan begint de hoop weer van voren af aan.

Raar eigenlijk. Op ons bekertoernooi valt genoeg aan te merken, al is het maar omdat het format zo vaak veranderd is in de loop der jaren, of omdat de loting altijd rond half drie ’s nachts wordt verricht; een nogal merkwaardige gewoonte. We praten er vaak wat badinerend over – en we zwelgen in de romantiek van de FA Cup of de Duitse DFB-Pokal.

Deels is dat terecht natuurlijk. De bekerfinales uit mijn jeugd werden getekend door lege tribunes, op Kaalheide of in de Galgenwaard. In de jaren tachtig was er altijd gedoe over veiligheid, over de speellocaties. Het was de tijd van blaffende politiehonden, van ME’ers, niemand dacht nog aan feestelijke volksverhuizingen. De bekerfinale van 1991 ontaardde in chaos, met Feyenoord-supporters op het veld in de slotfase tegen FC Den Bosch. Het leidde tot een slepende zaak tot bij de burgerrechter aan toe, want formeel waren er maar grofweg 85 minuten gespeeld.

Die herinneringen hebben ons beeld allemaal onbewust vertroebeld, denk ik. Ook omdat die eeuwige top drie vaak zo vrijblijvend met het toernooi omging, zo arrogant ook. De beker is een feestje van de subtop en de middenmoot, zeker, het zal, maar wat is daar eigenlijk mis mee? Goedbeschouwd zijn dat nog altijd zo’n dertig clubs, de amateurs niet eens meegerekend. Lekker belangrijk dat Ajax of PSV zijn neus ophaalt. Het Nederlandse voetbal is zo veel rijker dan de top alleen.

ONS Sneek-FC Twente en csv Apeldoorn tegen Willem II. Het doet allemaal weinig onder voor Kidderminster Harriers tegen Oldham Athletic, maar je moet dat wel willen zien natuurlijk.
Sjoerd Mossou

Er schuilt zo veel moois in ons eigen bekertje, ook als je eigen cluppie allang niet meer meedoet. Het toernooi telt zo ontelbaar veel verhalen, zo veel anekdotes, zo veel heroïsche overwinningen. Elk jaar is er ook in Nederland wel een heerlijke stunt, van VVSB of van HHC, op donkere sportparken in de provinciale nevel. Iedereen heeft kans, zeker als je een beetje gunstig loot.

Vooral dat laatste zou de KNVB Beker tot een troetelkind van de voetbalpuristen moeten maken. Juist in een tijd van voorgekookte lotingen, van titelraces tussen slechts een paar clubs, van de zo perverse en voorspelbare Champions League. Geld bepaalt veel, maar in ons bekertoernooi heeft iedereen nog ouderwets een kans. De eerste volwaardige rondes in september en oktober tegenwoordig een feest op televisie.

FOX Sports registreert het allemaal liefdevol, met camera’s op alle sportparken. Het Zuidersportpark in Sneek, stampvol voor de kraker tussen ONS Sneek en FC Twente. Sportpark Orderbos van csv Apeldoorn, schitterend in de bossen gelegen, helemaal klaar voor het bezoek van Willem II.

Het doet allemaal weinig onder voor Kidderminster Harriers tegen Oldham Athletic, maar je moet dat wel willen zien natuurlijk. Wij Nederlanders halen er graag de schouders bij op. We doen er achteloos over, vinden het gewoontjes, praten elkaar na dat het slechts een troostprijs is.

Terwijl het Nederlandse voetballandschap nooit kleurrijker in beeld komt dan juist op die avonden, in de eerste rondes. Met mensen rijendik. Met postbodes en banketbakkers in de spits. Met weilanden en dorpskerken in de verte.

Dat een stunt van pakweg PEC Zwolle of FC Groningen ‘slecht is voor het Nederlandse voetbal’, wat een flauwekultheorie.
Sjoerd Mossou

En neem nou die Kuip in het voorjaar. De opbouw naar de finaledag, met beelden van supportersbussen in een lange stoet, vanuit Zwolle of Arnhem of weet-ik-waar. De regionale omroep doet de hele dag verslag. Het stadion zit al jaren stampvol, mooi verdeeld tussen twee supportersgroepen.

Die flauwekultheorie ook dat een stunt van pakweg PEC Zwolle of FC Groningen “slecht is voor het Nederlandse voetbal”. Die clubs liggen er in Europa namelijk snel weer uit, klinkt het dan, en dat zou niet goed zijn voor onze coëfficiëntenlijst bij de UEFA. Er zijn bestuurders van topclubs die willen dat de top nóg wat later instroomt, liefst met een beschermde loting, om de kans op ongewenste verrassingen zo klein mogelijk te houden.

Ophouden nou, hoor.

Alsof onze topclubs er de laatste jaren iets van bakken in Europa. Dezelfde topclubs die zo onverstandig zijn om het bekertoernooi doorgaans lichtjes op te nemen, als een troostprijs waar ze met dedain op neerkijken.

Nee, laat het KNVB-bekertoernooi vooral lekker het feestje blijven van de Willem II’s, de PEC Zwolles en al die anderen. Clubs diep geworteld in hun eigen regio, bij hun eigen achterban. Clubs die nooit wat winnen, maar ooit misschien wel.

De KNVB Beker is niet het meest glorieuze toernooi misschien, maar het raakt ten minste aan de essentie van voetbal, de sport van iedereen. De enige beker ook waarover iedere voetbalsupporter in Nederland hetzelfde kan zeggen, tot in lengte van jaren desnoods.

Ooit winnen wij ’m.

Genoten van dit verhaal? Overweeg dan eens supporter te worden van SANTOS, dan kunnen wij zulke verhalen blijven maken en krijg jij vier keer per jaar ons magazine thuisbezorgd. Klik hier om je aan te melden, krijg je er nog de nieuwste verhalenbundel van Wilfried de Jong bij ook.

Lees ook
SANTOS #14: Engeland special

Robin van Persie:
‘Engeland heeft
ons gevormd’

Sinds zijn afscheid als voetballer doet Robin van Persie nog maar weinig van zich spreken in de Nederlandse media, maar toen we hem voor onze Engeland-special naar zijn liefde voor voetballand Engeland vroegen, raakte hij niet uitgepraat. Over de magie van Highbury, trainen met Dennis Bergkamp, ‘de hairdryer’ van Sir Alex Ferguson, Boxing Day en Stoke City-uit.
SANTOS #08: MESSI'S MISSIE

De dribbelkunst van
Lionel Messi
volgens Jan Mulder

Probeer de ongeëvenaarde dribbelkunst van Lionel Andrés Messi eens groots te duiden, vroeg SANTOS aan Jan Mulder. Dat lukte met verve, al vond Jan zelf van niet. “Messi heeft ons dribbels geschonken die je met de uitvinding van Johannes Gutenberg, en Laurens Janszoon Coster zo u wilt, niet kunt duiden aan de nabestaanden van SANTOS-lezers. Je moet het hebben gezien.”
Interview

Being
Berry

Zijn halve leven geleden won Hubertus Aegidius Hermanus van Aerle in één maand tijd de Europacup I met PSV en het EK met Oranje. Rijk werd hij er niet van, althans: niet in financiële zin. De cultheld bleef altijd in Helmond wonen, die schitterende, grote stad van HVV, Het Haagje, ‘Skiete Willy’ en Berry de Musical.
Reportage

Welcome to Madchester

Nergens zijn voetbal en popmuziek zo verweven als in Manchester, de stad van City en United, maar ook van Oasis, The Stone Roses, New Order en andere bands. Hoe is die jaloersmakende verstrengeling ontstaan? We gingen in ‘Madchester’ op zoek naar het antwoord, van de pubs in Ancoats tot in het slaperige Moston.
Overig

Nice to meet you,
Mister Best

Wilfried de Jong brengt in SANTOS geregeld een ode aan een overleden voetballer door hem voor een dag terug te halen op aarde. George Best (1946-2005) was de eerste die neerdaalde, op zoek naar Louis van Gaal, Memphis en - vooruit - een paar mooie vrouwen.
SANTOS #14: Engeland special

Please
don't go

Een bakermat van nostalgie, maar ook van het moderne voetbalkapitalisme; geen voetballand is zo contrastrijk als Engeland. Voor SANTOS #14 doken onze fotografen, schrijvers en tekenaars met liefde in de Engelse voetbalcultuur, juist in deze tijden van Brexit.