Op pad met lotingkoning Heinrich Welling

Woord: Menno Pot
Gepost: 05-05-2019
Eigenlijk is Heinrich Welling competitieplanner en coördinator wedstrijdzaken bij de KNVB, maar Nederland kent hem als de snordragende ‘baas der balletjes’ tijdens bekerlotingen. Hij doet ze overal in het land, ook voor jeugdcups, ruim twintig keer per seizoen. “Roep het maar lekker hard, Mathijs!”

Beeld: Iris Haverkamp Begemann
Eerder verschenen in SANTOS #07, april 2018.

“Luukie! Luukie! Luukie!”, scanderen ploeggenoten en meegereisde ouders, terwijl Lucas Veenendaal (16), speler van N.E.C./FC Oss O17, met zijn rechterhand vier ballen van wit plastic door de kleine glazen kom op een kantinetafel jaagt. Vier ballen, vier teams, spanning en sensatie: we gaan loten voor de halve finales van de Jeugdcup O17 en de Jeugdcup O15 onder supervisie van niemand minder dan Heinrich Welling (59), de besnorde cultheld van de KNVB-bekerlotingen op FOX Sports.

Welling is op deze kletsnatte woensdagavond in maart naar Tilburg-Zuid gereden om namens de KNVB de boel in goede banen te leiden. Niet om de loting feitelijk te verrichten, want net als op tv worden de ballen uit de kom gevist door een speler van de winnende ploeg. De gelukkige van vanavond, Lucas Veenendaal, meldt zich fris gedoucht en netjes gekamd nadat zijn N.E.C./FC Oss O17 de leeftijdgenoten van Willem II heeft uitgeschakeld (0-1) op het tribuneloze, van regen glinsterende kunstgrasveld van OVC’26 op Sportpark Jan Truijenlaan, even bezuiden de Ringbaan Zuid van Tilburg. Hier resideert de Willem II-jeugd. Tijdelijk.

Helemaal echt, die loting. Heinrich Welling – bruin colbert, bril op de punt van de neus, daaronder de borstelsnor die zijn handelsmerk mag heten – heeft een kleine laptop opgestart. De beamer van de amateurkantine projecteert een heuse lotingmodule in KNVB-opmaak op een wit videoscherm, naast de openstaande deur van het rokershok. Uit een grijsmetalen flightcase heeft hij de ‘vissenkom’ tevoorschijn gehaald, plus een set witplastieken schroefballen (met de juiste clublogo’s aan de binnenzijde).

Vleugje Saksisch

Het is niet zo moeilijk om de ‘Cult van Heinrich’ te verklaren. Ten eerste: die snor. Ten tweede: die strenge Duitse voornaam. Ten derde: die aureool van onderwijzerachtige onkreukbaarheid, gecombineerd met het feit dat hij een soort deus ex machina is. Je ziet Heinrich Welling nooit ergens anders dan bij bekerlotingen, alsof hij zélf uit die metalen flightcase komt en er meteen na de loting weer in terug stapt, mét de vissenkom onder zijn arm. Hij verricht zijn tv-lotingen op een tijdstip dat veel Nederlandse voetbalkantines gezellig vol zitten. Getraind of gespeeld, tas in de hoek van de kantine, lekker biertjes tikken en bekersamenvattingen kijken. En wie betreedt daar vervolgens de ring, als de kantinegezelligheid het hoogtepunt nadert? Juist: Heinrich Welling, voor een staaltje voetbalfolklore met balletjes.

Eerder die avond, vóór de O17-bekerwedstrijd in Tilburg-Zuid, vuren we in een hotelrestaurant de vragen op hem af die iedereen zou willen stellen: “Meneer Welling, beste Heinrich, wie ben je? Waar kom je vandaan? Waarom heet je Heinrich? Wat is het verhaal achter die prachtige snor? Wat doe je eigenlijk als je géén lotingen begeleidt?” En zo nog wat meer.

Vriendelijk glimlachend ontrafelt hij het mysterie. Heinrich Welling werd in 2018 zestig en komt van origine uit Didam. In de Achterhoek dus. Als je dat eenmaal weet, hoor je het vleugje Saksisch in zijn uitspraak plotseling heel goed. Opa en oudste oom heetten Hein, dus die voornaam wachtte hem ook, maar er leefde op dat moment nog een overgrootmoeder in Elten, aan de Duitse kant van de grens. Zij opperde Heinrich als voornaam voor de nieuwe telg. “Mijn vader vond dat wel een goed plan, want dat maakte de kans op bijnamen en plaagnamen als Magere Hein en Heintje een stuk kleiner. Maar ik ben dus volledig Nederlands.”

Dan de snor. Het is een van de weinige onderwerpen waarover Heinrich Welling géén uitgebreid verhaal paraat heeft. Hij heeft hem gewoon. De snor roept, nu we zijn afkomst kennen, gevoelsmatig associaties op met die van streekgenoten Bennie Jolink en Guus Hiddink in hun gloriejaren: een stevige, eerlijke Achterhoekse borstelsnor. Overigens is Heinrich Welling geen supporter van De Graafschap of Vitesse, de bvo’s waarnaar Didammers doorgaans neigen. Hij stond nooit als echte supporter op de tribune bij een profclub.

En o ja, het was zijn droom om naar de Academie voor Lichamelijke Opvoeding te gaan, maar dat lukte tweemaal niet en dus ging hij maar naar de Pedagogische Academie, zonder werkelijk de ambitie te hebben voor de klas te eindigen. Tijdens zijn stage stond hij even voor een klasje kleuters.

“Zie je dat voor je? Zo’n grote man in zo’n kleuterklas?” Ja, dat zien we levendig voor ons en het is een onbetaalbaar mooi beeld.

Tollende ballen

Terug naar de kantine. Nog vóór de O17- loting was er de loting voor de Jeugdcup O15. Mathijs Coeckelbergs, speler van Willem II O15, mocht komen grabbelen. “Roep het maar lekker hard, Mathijs”, moedigde Welling hem aan. “Houd de balletjes maar omhoog, zodat iedereen het goed kan zien. Je hoeft ze niet dicht te draaien. Leg maar gewoon op tafel.”

Coeckelbergs haalde als eerste kruisfinale Vitesse tegen het Amsterdamse AFC uit de kom. Oei, dacht iedereen hardop, dan moet Willem II dus tegen Feyenoord. Pittig. Kom op Mathijs, maak er dan tenminste een thuiswedstrijd van! Maar nee, Mathijs bewaarde zijn eigen elftal voor het allerlaatst en stuurde zijn maten en zichzelf dus naar Rotterdam. Hij trok er een schuldbewuste grimas bij, het thuispubliek riep van “Oeeehh” en de aanwezige N.E.C.’ers waarschuwden de gereedstaande Veenendaal maar alvast: “Kijk Luuk, zo moet het dus níet!”

Nu tollen de ballen, grabbelt de hand van ‘Luukie’ en valt de kantine stil, want het is gewoon altijd spannend, zo’n loting. Jeugdcup, pokkenweer, amateurkantine, wezenloze blikken vanuit het rookhok; het maakt allemaal niet uit.

“N.E.C.!”, zegt Veenendaal triomfantelijk. En ja, daar is het balletje met de logo’s van N.E.C. én FC Oss, keurig naast elkaar, met de naam van de gecombineerde jeugdtak eronder. Ploeggenoten en ouders barsten in juichen uit. Thuiswedstrijd! Nu nog de gedroomde tegenstander erbij. Iedereen weet welke dat is: ADO Den Haag, want op de andere twee ballen staan de namen van PSV en Ajax/Feyenoord, de laatste kwartfinale, die nog gespeeld moet worden.

Daar gaan ze weer: drie rammelende plastic ballen, in elegante choreografie dansend door de kom, als een bodempje cognac in een groot glas. ‘Luukie’ geeft ze nog één zetje mee in de draairichting. Hij grijpt, hij schroeft, hij grijnst: “ADO Den Haag!”

Het Nijmeegs-Osse feestje is compleet in de Tilburgse kantine. “Zo’ne goeie hebben wij nog niet gehad! Haha! Goed gedaan, Luukie!”

Jürgen Kohler

“Ik heb gevoetbald in het rood-zwarte tenue van DVC’26”, vertelde de lotingkoning in het hotelrestaurant. “In de jaren tachtig zat ik een aantal jaren tegen het eerste elftal aan. Twee seizoenen was ik echt basisspeler. Dat was in de toenmalige eerste klasse zondag, destijds het op één na hoogste amateurniveau van Nederland.”

Positie? “Centrale verdediger.” Type? Hij grijnst, ter aankondiging van een goed verhaal. “Toen ik in 2000 voor de KNVB in het betaald voetbal ging werken, nam net Arie van Eijden afscheid als directeur. Hij ging terug naar Ajax. In dezelfde zomer werd Louis van Gaal aangesteld als bondscoach. Er werd een feestelijke afscheidswedstrijd georganiseerd voor Van Eijden tussen KNVB-personeel en Ajax-personeel. Ik speelde mee in het KNVB-team en wie was onze trainer? Ja hoor: Van Gaal. Ik liet hem weten dat ik centrale verdediger was en heb op die positie meegespeeld. Een week later kwam hij op maandagochtend door de gang lopen, met zijn assistent Mark Wotte. Van Gaal zag me zitten en zei: ‘Jij hebt lekker staan ballen van de week! Je deed me een beetje aan Jürgen Kohler denken.’ Dus ik kan met de deskundige instemming van Louis van Gaal zeggen dat ik een type Jürgen Kohler was: dienstbare mandekker, geen opkomende libero, geen tierelantijnen.”

Hij werkte toen al lang voor de KNVB, na de militaire dienst in Blerick, Ede en ook de Lünenburgerheide in Duitsland, waar hij veel sport kon organiseren (leuker dan het doelloos rondrijden van officieren, zoals hij in Blerick en Ede deed). In 1985 ging hij voor de KNVB werken in het amateurvoetbal in zijn regio.

Op zijn visitekaartje staat nu: ‘competitieplanner betaald voetbal’. Welling kan er vurig en uitgebreid over vertellen, eerst boven een sateetje met friet in het hotelrestaurant, daarna in de gure wind en de striemende maartse regen langs het kunstgrasveld van OVC ’26. Hij vertelt over de kunst van het maken van het competitierooster, over de partijen die hij in alle hoeken van het land spreekt tijdens zijn ‘windstreeksessies’ voor het betaald voetbal, waarin functionarissen van de clubs, de politiecoördinatoren en de gemeentelijk ambtenaar openbare orde en veiligheid allemaal hun eigen eisen en wensen op tafel leggen, vaak in royale hoeveelheden – en dat hij die gegevens allemaal verzamelt en laat verwerken door een bedrijf in Barcelona, om de complexe puzzel passend te krijgen.

“Ik wil maar zeggen: mensen kennen me van die bekerlotingen, maar dat is niet alles wat ik doe, natuurlijk.”

Bingomachine

Met bekerlotingen kreeg hij in het betaald voetbal wel snel te maken. Al in 2000-2001 bereidde hij ze voor en hielp hij ze in goede banen leiden, al was Will van Rhee aanvankelijk nog de man die namens de KNVB vóór de camera stond. Heinrich Welling stond erachter en kroop al tijdens zijn allereerste bekerloting onder de camera’s door naar de mevrouw die de gelote duels op een bord bijhield. Ze zette er per abuis een uitgeschakelde club tussen, een fout die hersteld werd voordat de tv-presentator hem zou voorlezen.

“Aanvankelijk waren die lotingen bij SBS. Een speler haalde kokertjes uit een bak, waar dan de clubnaam in stond. Later ging het bekervoetbal naar Talpa en werd besloten dat het anders moest: er kwam een machine uit Amerika, zo’n bingomachine met pingpongballetjes, waarop aan zes kanten de naam van een club gedrukt stond. Een speler drukte op de knop, waarop de luchtmachine één zo’n balletje een pijpje inzoog. Nu zijn we terug bij ouderwetse ballen, naar Duits voorbeeld, met schroefdraad en clublogo’s aan de binnenkant. Dat is wat mij betreft veel beter dan de lotingen van de UEFA: daar wordt een bal opengeschroefd en daar komt dan een papiertje uit. Daar staan ze dan mee te stuntelen en het gaat ook nog eens traag.”

De bingomachine uit de Talpa-tijd was al van het toneel verdwenen toen Bert van Oostveen in 2008 het hoge woord sprak: “Hij zei: ‘Waarom zou ik hier nou altijd gaan staan? Jij begeleidt die lotingen al jaren, Heinrich. Draai jij ze maar.’ ”

Dat is een stopwoordje van Heinrich Welling: ‘draaien’. Hij ‘draait’ die lotingen, heeft het over zijn collega Timo Reesink, die de tweede en derde divisie ‘draait’. Hij houdt ook van werkwoorden als ‘ondersteunen’ en ‘begeleiden’. “Ergens dit jaar vier ik mijn tienjarig jubileum als tv-loter, zou je kunnen zeggen, hoewel ik eigenlijk helemaal niet loot. De KNVB-official mag nooit de ballen pakken. Ik beschouw mezelf bij die lotingen als vooruitgeschoven KNVB-pion, een soort KNVB-notaris, zo je wilt.”

Welling herinnert zich een jonge Dirk Kuijt, die het kokertje van zijn club langdurig in zijn hand hield om het warm te maken. Zinloos.

Spelers die daadwerkelijk ballen pakken, mogen natuurlijk graag een beetje dollen en krijgen in de aanloop naar de loting allerlei opmerkingen en grappen naar hun hoofd van ploeggenoten. Dat is in de Eredivisie exact hetzelfde als bij de O15. Welling herinnert zich een jonge Dirk Kuijt, die als speler van FC Utrecht het kokertje van zijn club langdurig in zijn hand hield om het warm te maken. Zinloos. Die dingen koelen snel af. Vind je nooit tijdens het grabbelen.

Eén keer ging er iets mis, al bleef het zonder gevolgen en bleek het pas achteraf. In de tijd van de bingomachine op Talpa ontdekte Welling bij het opruimen van de spullen dat er twee pingpongballetjes tussen zaten waarop twee verschillende clubnamen gedrukt stonden. Tijdens de loting was het gek genoeg niet zichtbaar geworden in beeld, al werd elk balletje voor de camera omhooggehouden. Elke club werd maar één keer genoemd.

Frisje

De eerste halve finale staat op het scherm: N.E.C./FC Oss O17, thuis tegen ADO Den Haag O17. Het “Luukie! Luukie! Luukie!” is niet van de lucht.

“Nu alleen nog even een uitwedstrijd voor Ajakkes, Luuk!”, roept een toeschouwer.

En jawel, Lucas heeft vanavond een uiterst gelukkige, gehoorzame hand: PSV speelt thuis tegen de winnaar van de tienerklassieker Ajax-Feyenoord.

En dat was ’m alweer. Twee halve finales, dan ben je na acht ballen en vier wedstrijden al klaar. Terwijl Lucas Veenendaal de omhelzingen en schouderklopjes in ontvangst neemt, bedankt Heinrich Welling de dames en heren voor de aandacht en ontmantelt hij zijn opstelling. Laptop in de tas, vissenkom en balletjes (netjes dichtgeschroefd) in de koffer, nog even een frisje in de bestuurskamer en dan maar eens op huis aan.

Hoe vaak hij dit doet, per seizoen? Even hoofdrekenen: vijfmaal Jeugdcup O15, vijfmaal Jeugdcup O17, vijfmaal Jeugdcup O19 en dan nog zes lotingen voor de ‘grote’ KNVB Beker, waarvan de eerste bij de KNVB in Zeist plaatsvindt en de vijf daarna op locatie, op tv. 21 officiële bekerlotingen dus, waarvoor hij kriskras door het land rijdt. Dan tellen we informele lotingen niet mee, zoals de interne FIFA18-competitie onder KNVB-personeel. Die krijgt dan een heuse Heinrich Welling-loting, dat spreekt haast voor zich.

“Ik vind het altijd leuk om te doen, zeker ook bij de jeugd. Het is leuk voor die jongens: zo’n echte loting op beeldscherm, met zo’n mooie kom en een man van de KNVB erbij.”

Een man van de KNVB? Niet zómaar een man! We hebben het hier wel over Heinrich Welling, de besnorde lotingkoning!

Hij lacht. “Nou, dat weet ik niet hoor. De tv-lotingen zijn altijd na de laatste wedstrijd van de avond, vaak erg laat. Ik denk dat de meeste jeugdspelers dan al in bed liggen. Die moeten de volgende dag gewoon weer naar school. Ik denk niet dat ze me herkennen of als een bekendheid zien.”

Genoten van dit verhaal? Overweeg dan eens supporter te worden van SANTOS, dan kunnen wij zulke verhalen blijven maken en krijg jij vier keer per jaar ons magazine thuisbezorgd. Klik hier om je aan te melden, krijg je er nog de nieuwste verhalenbundel van Wilfried de Jong bij ook.

Lees ook
Beeldreportage

De vlucht van
scheidsrechter Pijper

Bij het grasduinen in de beeldbanken stuitten we op een aantal fascinerende foto’s van de wedstrijd NAC-Ajax van 16 september 1973. Of eigenlijk: van ná de wedstrijd, toen scheidsrechter Henk Pijper – die in de laatste seconden de 3-3 van NAC afkeurde – op de vlucht moest voor ontstemde NAC-supporters. Kijk en verwonder uzelf (en let vooral op die politiehond en de ‘vluchtauto’, in allerijl gecharterd nadat de deur van een politiewagen niet open ging).
SANTOS #10: Voetbalreisgids

Tien tips
voor de ideale
voetbaltrip

Nu het nieuwe voetbalseizoen in alle hevigheid is losgebarsten en de Nederlandse ploegen in Europa hun tegenstanders kennen, kunnen de voetbaltripjes weer worden geboekt. De redactie van SANTOS geeft reisadvies.
SANTOS #04: DE KLASSIEKER

Mulder bemint:
Mladen Ramljak

De Joegoslaaf Mladen Ramljak, afgestudeerd econoom én vooraanstaand lid van het ‘Genootschap der Scheermessen’, won met Feyenoord de landstitel en de UEFA Cup. Het is vandaag 40 jaar geleden dat hij overleed. Jan Mulder haalt herinneringen op.
SANTOS #13: De 25 schoonheden van het amateurvoetbal

Kantines,
cornervlaggen
en kleedkamergeluk

In SANTOS #13 belijden we onze liefde voor amateurvoetbal. Inderdaad, net als in een eerdere SANTOS, maar toch weer op een andere manier. Omdat het zo’n ongelooflijk rijk onderwerp is, en omdat het je zo heerlijk terugbrengt naar de essentie: naar voetbal omdat het leuk is. Naar voetbal als een sociaalcultureel fenomeen ook.
Reportage

Lachen
Gieren
Gullit

Van Qatar naar Hilversum, van Varkenoord naar Miami, en terug via Rome en Schotland. Ruud Gullit leidt een fascinerend bestaan, vrolijk slalommend tussen de hoogte- en dieptepunten van zijn leven. Een weekend lang in het spoor van de nimmer verwelkende Zwarte Tulp. “Ik zie het zo: als ik niet naar links kan, dan ga ik maar naar rechts.”
Binnendoor

Björn van
der Doelen

​“Mark van Bommel kon de hele dag over voetbal praten. Ik keek niet eens de samenvattingen van mijn eigen wedstrijden, ging liever een beetje pielen met mijn gitaar.”