Van Basten - Ciao, Marco

Woord: Sjoerd Mossou
Gepost: 16-08-2018
Zijn afscheid in San Siro op 18 augustus 1995 voelde zo ongelooflijk, dat de toen zestienjarige Sjoerd Mossou besloot het niet te geloven. Marco van Basten was zijn held, en helden stopten niet. Hij was pas dertig, godverdomme.

Beeld: VI Images/Bruno Press
Eerder verschenen in SANTOS #03, november 2016.

San Siro kan een kille, tochtige bak zijn. Op de bovenste ring voelt het een beetje als IJmuiden, want het waait er haast altijd, zelfs als de zon schijnt. Een betonnen tochtgat aan de Via dei Piccolomini. De tribunes zijn steil, hoog, hard en hoekig. Het stalen buizendak maakt het voor de zon haast onmogelijk om binnen te dringen. De wind daarentegen, jaagt er precies onderdoor in genadeloze, steeds hardere vlagen.

Het was 18 augustus 1995. Een mooie Milanese zomeravond. Toch droeg Marco van Basten een suède jasje over zijn roze overhemd, met een iets te hoog aangesneden wit T-shirt eronder. Alsof hij al besefte hoe San Siro aanvoelt als je geen voetballer meer bent. Kil meestal. Soms waterkoud.

In de rechterkontzak van zijn stonewashed spijkerbroek zat een portemonnee. Zo’n dikke, typisch mannelijke portemonnee, vol overbodige pasjes en oude bonnetjes. Je kunt dat mooi zien als Van Basten naar de Curva Sud loopt, in een looppasje.

Hij zwaait met twee handen boven het hoofd, waardoor de boord van zijn jasje wordt opgetild tot boven de heupen. De portemonnee zit stevig ingepakt, maar is klaar voor gebruik. Straks haalt Van Basten misschien nog een boodschapje bij de avondwinkel, of ze eten straks nog een hapje, in de kleine Osteria om de hoek.

In mijn herinnering duurde het allemaal heel lang. De entree, de wandeling, het zwaaien, de tranen: het voelde al die jaren als een soort speelfilm in slow motion.

Liesbeth is er niet bij vanavond, de kinderen evenmin. Vlak voordat Van Basten naar San Siro rijdt, heeft hij tegen zijn vrouw gezegd dat het niet al te lang gaat duren. Hij hoeft alleen maar even naar de mensen te zwaaien.

Niets bijzonders. Gewoon een verplicht nummertje voor de bühne. Bedankt, tot ziens. Basta.

Het is de moeite van het komen niet waard, vindt Marco. Hij klinkt quasinonchalant als wel vaker, maar Liesbeth laat het verder maar zo, druk als ze is met de dingen van alledag. Ze begint pas te twijfelen als Danielle van ’t Schip opbelt, de vrouw van Van Bastens vriend Johnny. Is het toch niet wat groter en belangrijker dan dat? In de kranten is het definitieve afscheid, een dag eerder door Van Basten zelf aangekondigd op een persconferentie op Milanello, groot nieuws.

In mijn herinnering duurde het allemaal heel lang. De entree, de wandeling, het zwaaien, de tranen: het voelde al die jaren als een soort speelfilm in slow motion. YouTube bestond nog niet. Het huilen van Fabio Capello spoelde je daarom terug vanaf je netvlies, steeds opnieuw.

Dat Studio Sport het item in werkelijkheid beperkte tot slechts een paar minuten, inclusief een interview met Jack van Gelder: met terugwerkende kracht is het bijna niet voor te stellen. Maar 18 augustus 1995 valt op een vrijdag, dat maakt het praktisch gezien lastig om er groots mee uit te pakken.

De oefenwedstrijd tussen AC Milan en Juventus, een potje om de overbodige Trofeo Luigi Berlusconi (de vader van) begint die avond om 20.00 uur. Kort voor de aftrap staat Van Basten geduldig te wachten bij de kleedkamerdeur, leunend tegen een muur in de catacomben. Achter hem klinkt het getik van noppen – en het typische gegrom van mannen die elkaar moed inpraten, succes wensen.

Hier zie je het in één beeld gevangen: Van Basten is geen voetballer meer. De houten kleedkamerdeur is dicht. De Zwaan van Utrecht staat ongemakkelijk op de gang te wachten, als een ballenjongen in spijkerbroek.

Wanneer de camera zijn blik vangt, lacht Van Basten breeduit, met die jongensachtige grijns van hem. Zijn wangen plooien omhoog tot vlak onder zijn samengeknepen ogen. Als hij al pijn heeft, dan camoufleert hij die overtuigend. Dat heerlijke geluid van de voetbalkleedkamer achter hem; hij hoort het niet, staat er niet bij stil, of hij wil het niet horen. Van Basten loopt tegelijk met beide teams het veld op. Onderweg krijgt hij een stevige hand van scheidsrechter Pierluigi Collina. Alessandro Costacurta wandelt voorbij met het hoofd omlaag. Van Basten lacht, nog een keer.

Het vaarwel duurt in werkelijkheid juist erg kort. De voetballer neemt de binnenbocht, steeds op een meter of twintig van de tribunes.

Het vaarwel duurt in werkelijkheid juist erg kort. De voetballer neemt de binnenbocht, steeds op een meter of twintig van de tribunes. Soms wandelt hij, dan weer versnelt hij in een looppasje, alsof hij er nog iets sneller vanaf wil zijn.

Iets verderop, op gepaste afstand; de voetballers van AC Milan en Juventus. Ze klappen in hun handen.

Och, die pijn. Die ondraaglijke, oneindig durende pijn in zijn enkel. Al die operaties. Al dat gekloot in zijn lijf en in zijn botten. Het gebonk in zijn kop, van twijfel naar wanhoop, vechtend tegen het onvermijdelijke einde.

Van Basten speelt zijn allerlaatste voetbalwedstrijd op 26 mei 1993 in München, in de finale van de Champions League tegen Olympique Marseille. De overlevering wil dat hij liep als een oude man – en dat hij slecht en onzichtbaar speelde.

In werkelijkheid valt dat best mee. Zelfs in zijn hoedanigheid van een oude man, met stekende pijn in de enkel, loopt Van Basten nog gracieus en sierlijk. Hij krijgt nog een kansje in de eerste helft, na voorbereidend werk van Daniele Massaro. Kort daarvoor neemt hij prachtig een balletje uit de lucht.

München, 1993. Van Basten verbijt zich in zijn laatste wedstrijd ooit, tegen Olympique Marseille in de Champions League-finale.

Tussen zijn laatste wedstrijd en zijn definitieve afscheid liggen 2 jaar, 2 maanden en 23 dagen. Of: 814 dagen in totaal.

Wij, de bewonderaars, wachten en wachten maar. Af en toe horen we iets, over de volgende belangrijke enkeloperatie. Over de ene dokter (Martens), of juist de andere (Marti). Dan weer zien we Van Basten op krukken voorbijlopen op Milanello, in de stromende regen. Dan weer duikt hij op in Utrecht of in Antwerpen. Zwijgend, meestal.

Het mysterie groeit almaar. Van Basten heeft de naam ondoorgrondelijk te zijn, maar daar zit het hem niet eens zozeer in. We horen alleen maar berichten over operaties, die meestal ‘goed’ zijn verlopen, maar later opeens weer niet. Van enkels weten we erg weinig. Soms weerklinkt er hoop, genoeg althans om te blijven geloven in het wonder.

We horen alleen maar berichten over operaties, die meestal ‘goed’ zijn verlopen, maar later opeens weer niet. Van enkels weten we erg weinig.

Ons geduld is onbegrensd. De doorbraak van Marco van Basten bij Ajax valt vrijwel gelijk met mijn vroegste liefde voor voetbal. Ik ben van 1978. Halverwege de jaren 80 moet ik voor het eerst met mijn volle bewustzijn naar Studio Sport zijn gaan kijken.

Van Basten is zonder enige discussie de beste, de grootste, de meest begaafde. Zijn wat afstandelijke, eigenzinnige karakter ontgaat ons volledig, thuis voor de televisie. Van Basten juicht mooi. Lacht mooi. Voetbalt nog veel mooier.

Röntgenfoto van de enkel van Van Basten, doorboord met metaal, kort na een laatste kamikaze-operatie. Het zou niet helpen.

Zijn omhaal tegen FC Den Bosch: we speelden hem eindeloos na op het trapveldje voor ons huis. Daar stonden geen doelen. Onze jassen waren de palen, dus de kruising moest je er zelf bij denken. Het gras zat vol met kale, droge plekken, maar dat weerhield ons er niet van om het eindeloos te blijven proberen.

De voorzet moest met een lobje, want dat was iets gemakkelijker. Omhaal, harde landing op je rug en achterhoofd. Mis. Nog een keer. Weer mis. Marco van Basten en Eddie Vedder zijn de helden van mijn jeugd. In die volgorde, want zo gaat dat meestal met jeugdhelden: ze komen in order of appearance. Bij NAC heb ik ook nog wat helden, maar die zijn niet mythisch of onaantastbaar. Die werken ’s middags gewoon bij de Perry Sport in de Lange Brugstraat, of als croupier bij het Holland Casino.

Van Basten overbrugt mijn kinderjaren én mijn tienerjaren. Hij voelt als een held van om de hoek, mijn neef Daan lijkt zelfs sprekend op hem, maar tegelijk is Van Basten onbereikbaar. Milaan is ver. Van georganiseerde voetbalreisjes of easyJet heeft niemand nog gehoord.

Bij de Wehkamp kun je een jongenskamerdekbed bestellen met Van Basten erop, stijlvol in actie, gekleed in het tenue van de Rossoneri. Dat dekbed hebben bijna alle jongens uit mijn klas.

Eind jaren tachtig en begin jaren negentig bestaan er maar een handvol voetbalsouvenirs die refereren aan Van Basten, de beste spits ter wereld. Voor een shirtje met ‘Mediolanum’ moet je naar Milaan. Voetbalmerchandise is een nog tamelijk onontgonnen wereld.

Wij hebben thuis een paar van die witte koffiemokken, van de Blokker, met foto’s van de bekendste Oranje-spelers erop. Een jongen uit mijn klas heeft een vlag van AC Milan, met de hoofden van Gullit en Van Basten pontificaal in het midden geprint.

En bij de Wehkamp kun je een jongenskamerdekbed bestellen met Van Basten erop, stijlvol in actie, gekleed in het tenue van de Rossoneri. Dat dekbed hebben bijna alle jongens uit mijn klas.

Het EK van 1988 beleef ik voor de televisie. Ik ben 9, de perfecte leeftijd om je herinneringen tot in detail op te slaan. Alles komt ongefilterd binnen, recht je kindergeheugen in. Als Van Basten scoort in de finale, spring ik op de rug van mijn vader. Samen dansen we door de woonkamer. We gillen en we lachen van pret. Nog voordat Ruud Gullit de beker omhoog heeft getild, ga ik voetballen, buiten op het veldje, met Wouter en de rest. We willen allemaal Van Basten zijn.

Dat Fabio Capello zit te huilen, ontgaat bijna iedereen, ook Van Basten. Hij schokt een beetje, zachtjes huilend, met zijn vingers tegen het neusbot en de ooghoeken geduwd.

Hij kijkt een beetje naar beneden als hij zwaait, met een hand hoog boven zijn hoofd. Dat Fabio Capello zit te huilen, ontgaat bijna iedereen, ook Van Basten. De dug-out van San Siro is half ondergronds. De trainer zit verdekt opgesteld, in het schemerdonker. Hij schokt een beetje, zachtjes huilend, met zijn vingers tegen het neusbot en de ooghoeken geduwd.

Het is aan de positie van de NOS-equipe te danken, bij de zijlijn, precies tussen beide dug-outs, dat de wereld getuige is van de tranen van Capello. De Nederlandse cameraploeg heeft het shot als enige. Pas in de dagen na het afscheid gaan de beelden letterlijk de wereld over. Van Basten huilt niet, maar onbewogen kun je hem ook niet noemen. San Siro voelt warmer dan ooit vanavond. Aan de Curva Sud hangt een groot spandoek: ‘Marco, il gioia del calcio’. ‘Marco, de vreugde van het voetbal’.

Steeds als hij de mensen ziet juichen, kijkt Van Basten even omlaag, om vervolgens zijn pas weer ietsje te versnellen. Als hij daarna opkijkt naar de mensen, duwt hij zijn tong steeds tegen de binnenkant van zijn wang. Van Basten vermant zich. Zou hij, lopend over het Milanese gras, aan Edwin Olde Riekerink hebben gedacht? Of aan het Oosterpark? Daar, op een koude decemberavond in 1987, ging hij veel te hard door op de voetballer van FC Groningen – en blesseerde zichzelf.

Maar misschien is er vanavond wel veel te veel om aan te denken. Misschien suizen de herinneringen wel door zijn hoofd, ook de glorieuze, razendsnel, in vluchtige flitsbeelden.

Wat ik zelf dacht, weet ik nog ongeveer. Ik dacht: die komt nog wel terug. Het afscheid van Van Basten was zo ongelooflijk, dat ik besloot het niet te geloven. Een jaar eerder was er nog sprake van dat hij mee zou gaan naar het WK van 1994 in Amerika. Als een soort pinchhitter en talisman tegelijk.

De voetballer geloofde er zelf in, dus waarom wij dan niet? En als die enkel werkelijk ongeneeslijk was, waarom had Silvio Berlusconi dan tussentijds zijn contract verlengd bij Milan? Dat was toch niet zomaar?

Wat ook een rol speelde misschien: aan Van Basten zag je bijna nooit dat hij pijn had. Hij was erbij toen AC Milan in de Champions League-finale tegen Ajax speelde, in mei 1995 in Wenen, gehuld in een wit trainingspak. Van Basten zag er nog hartstikke als een voetballer uit. Hij schudde kalm de handen van de Ajacieden, vlak voordat ze de catacomben in doken.

Marco van Basten schiet raak in San Siro, tegen Real Madrid (5-0) in 1989.

Nog even geduld, dachten wij. Na de zomer doet hij vast weer mee.

Maar toen werd het augustus. De zomervakantie was net voorbij, het voetbalseizoen ging weer beginnen, en toen weerklonk plots het onheil. Het gaat niet meer. Zelfs dokter Martens, nooit te beroerd voor weer een nieuwe operatie, zag dat het geen zin meer had. Van Basten belde eerst naar Berlusconi om het nieuws te vertellen, de voorzitter die zijn doorlopende miljoenencontract altijd tot op de cent had doorbetaald. Op dat moment zijn alleen Liesbeth, zijn beste vrienden en zijn vader Joop op de hoogte. “Ik weet niet of de doktoren me hebben geholpen”, zegt hij op zijn laatste persconferentie. “Want het is de laatste jaren niet vooruitgegaan, eerder achteruit.”

Hij heeft alles geprobeerd, drie jaar lang. Acupunctuur. Medicijnmannen. Soms lag hij dagenlang te huilen van de pijn. Had de dokter ijzeren pinnen door zijn enkel geboord, in een soort kamikaze-operatie, braken daarna prompt de pinnen af. Ondraaglijk. Onmenselijk.

Wij wisten dat toen nog allemaal niet. We wilden het niet weten. Van Basten was een wonderspits, we hoopten dat de tijd vanzelf zijn werk zou doen. Dat hij vanzelf weer zou voetballen, gracieus en ongrijpbaar.

Hij was pas dertig, godverdomme.

Lees ook
SANTOS #09: NAAR HET STADION

De ziel van FC Utrecht
in 51 foto’s

Fotograaf en stadionfetisjist Marco Magielse reist deze maanden langs de achttien Eredivisie-stadions om ze op geheel eigen wijze vast te leggen. Dit keer Stadion Galgenwaard van FC Utrecht zoals je het nog niet eerder zag.
SANTOS #09: NAAR HET STADION

De ziel van FC Utrecht:
de Galgenwaard als huiskamer

Op zoek naar de ziel van onze achttien Eredivisie-stadions vragen SANTOS en de Eredivisie CV een legertje insiders, van een beetje bekend tot heel bekend, wat hun club voor hen betekent. Jean-Paul Rison (1990), bekend van het voetbalpraatprogramma FC Afkicken en nu werkzaam voor Eurosport, bezocht zo’n 150 stadions in een stuk of 10 landen, maar uiteindelijk gaat er voor hem niets boven de Galgenwaard.
SANTOS #09: NAAR HET STADION

21 redenen om
SANTOS #09
in huis te halen

Wij van SANTOS houden van stadioncultuur, van samen in hetzelfde vak, van samen lachen en samen huilen, van hopen tegen beter weten in. We vonden het de hoogste tijd om die liefde op papier te zetten, de hoogste tijd voor SANTOS #09 dus.
Reportage

Welcome to Madchester

Nergens zijn voetbal en popmuziek zo verweven als in Manchester, de stad van City en United, maar ook van Oasis, The Stone Roses, New Order en andere bands. Hoe is die jaloersmakende verstrengeling ontstaan? We gingen in ‘Madchester’ op zoek naar het antwoord, van de pubs in Ancoats tot in het slaperige Moston.
SANTOS #09: NAAR HET STADION

De ziel van De Graafschap
in 59 foto’s

Fotograaf en stadionfetisjist Marco Magielse reist deze maanden langs de achttien Eredivisie-stadions om ze op geheel eigen wijze vast te leggen. Vandaag De Vijverberg van De Graafschap op op z’n aller-, allermooist.
SANTOS #09: NAAR HET STADION

De ziel van De Graafschap:
prijzenkast vol verhalen

Op zoek naar de ziel van onze achttien Eredivisie-stadions vragen SANTOS en de Eredivisie CV een legertje insiders, van een beetje bekend tot heel bekend, wat hun club voor hen betekent. Vandaag Sjoerd Weikamp, lid van de Raad van Commissarissen van De Graafschap en bovenal supporter.